Zoeken
Er zijn 2939 resultaten
Resultaat 1 - Plattelandsraad text/html
De Plattelandsraad is een stichting die zich al meer dan tien jaar bezig houdt met het opkomen voor de belangen en kwaliteiten van het buitengebied in de gemeente Oude IJsselstreek. Een dertiental organisaties die actief zijn in het buitengebied, vormen de Plattelandsraad. VergaderingDe eerstvolgende vergadering van de Plattelandsraad is op dit moment nog niet bekend. Blog Klik hier voor het blog van de Plattelandsraad en praat mee. Pagina Gelderse PostElke maand praat de Plattelandsraad u bij via een pagina in de huis-aan-huiskrant Gelderse Post onder de naam "Buitengebied in beweging".
http://gemeente.oude-ijsselstreek.n...hap/plattelandsraad/plattelandsraadResultaat 2 - STEM: Nominatie Gelderse Prijs voor Ruimtelijke Kwaliteit text/html
Het DRU Industriepark is genomineerd voor de Gelderse Prijs voor Ruimtelijke Kwaliteit. Met deze prijs wil de provincie goede en inspirerende ruimtelijke projecten extra onder de aandacht brengen. Het gaat om gerealiseerde projecten die een opvallende bijdrage leveren aan de Gelderse leefomgeving. In maart wordt voor de vierde keer de Gelderse Prijs voor Ruimtelijke Kwaliteit uitgereikt. Gelderse gemeenten en organisaties hebben 50 projecten voorgedragen waarvan er tien genomineerd zijn. Het DRU Industriepark is één van deze tien genomineerden. Bouwen aan identiteit Het thema van dit jaar is ‘Bouwen aan identiteit'. Met deze prijs wil de provincie stimuleren dat goede en inspirerende voorbeelden extra onder de aandacht worden gebracht. Het winnende project ontvangt vijfduizend euro en wordt uitgereikt aan de betreffende gemeente. Het bedrag dient besteed te worden aan het betreffende project. Naast deze jurywinnaar wordt er ook een publiekswinnaar bekendgemaakt. Voor de publieksprijs kan vanaf nu gestemd worden. Heeft u al gestemd? Er kan gestemd worden tot en met 9 maart. Op 22 maart wordt bekend wie de jury- en publiekswinnaars zijn. Brengt u ook uw stem uit op het DRU Industriepark? U kunt uw stem uitbrengen via internet: http://www.gelderland.nl/smartsite.dws?id=19312. Ook vindt u hier meer informatie over de prijs en de overige genomineerden.
http://gemeente.oude-ijsselstreek.n...se_prijs_voor_ruimtelijke_kwaliteitResultaat 3 - walraven toelichting op aanvraag.pdf application/pdf
AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING Aanvrager: Maatschap G.G.L.J. Walraven en C.C.G.M. van Bree Molenveld 4/4-a & 4-b 7065 BV SINDEREN INHOUDSOPGAVE Uitwerking van de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het pluimveebedrijf van maatschap G.G.L.J. Walraven en C.C.G.M. van Bree aan het Molenveld 4/4-a & 4-b te Sinderen. GEGEVENS AANVRAGER .......................................................................................................................... 2 GEGEVENS INRICHTING ........................................................................................................................... 2 1. ALGEMEEN ...................................................................................................................................... 3 2. BESTAANDE VERGUNNINGEN/MELDINGEN ..................................................................................... 3 3. VERGUNDE VEEBEZETTING............................................................................................................. 4 4. AANGEVRAAGDE VEEBEZETTING ................................................................................................... 5 5. IPPC-RICHTLIJN .............................................................................................................................. 5 7. MER-BESLUIT ................................................................................................................................. 8 8. BEOORDELING GEUR ....................................................................................................................... 9 9. BEOORDELING AMMONIAK ........................................................................................................... 11 10. GELUID ......................................................................................................................................... 13 11. ENERGIE ........................................................................................................................................ 14 12. WATER .......................................................................................................................................... 17 13. KOELINSTALLATIE ........................................................................................................................ 17 14. OPSLAG STOFFEN .......................................................................................................................... 18 15. AFVALSTOFFEN............................................................................................................................. 18 16. MEST ............................................................................................................................................. 19 17. RUWVOER ..................................................................................................................................... 19 18. BODEM .......................................................................................................................................... 20 19. METINGEN EN REGISTRATIE .......................................................................................................... 20 20. BRANDVEILIGHEID ........................................................................................................................ 20 21. OVERIGE VERGUNNINGEN EN/OF MELDINGEN DIE VAN TOEPASSING ZIJN...................................... 21 22. TOEKOMSTIGE ONTWIKKELINGEN ................................................................................................ 21 23. NADERE GEGEVENS ....................................................................................................................... 21 24. BIJLAGEN ...................................................................................................................................... 21 25. ONDERTEKENING .......................................................................................................................... 22 Aanvraag omgevingsvergunning voor het pluimveebedrijf van Maatschap Walraven van Bree aan het Molenveld 4/4-a & 4-b te Sinderen 1 AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING Gemeente: OUDE IJSSELSTREEK Datum: 9 december 2011 GEGEVENS AANVRAGER Naam van de aanvrager Maatschap G.G.L.J. Walraven en C.C.G.M. van Bree Adres Postcode Telefoon Molenveld 4-a 7065 BV 06-22557292 Plaats Telefax SINDEREN - Verzoekt om een omgevingsvergunning in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo): voor het veranderen van de inrichting of de werking daarvan te veranderen (art. 2.1 lid 1 onder e 2º en 3º) GEGEVENS INRICHTING Naam inrichting Adres Postcode Kadastrale ligging: Maatschap G.G.L.J. Walraven en C.C.G.M. van Bree Molenveld 4/4-a & 4-b 7065 BV Gemeente Nummers Contactpersoon Telefoon Aard van de inrichting Varsseveld Plaats Sectie SINDEREN B 6244, 6245 (ged.), 6085 (ged.) De heer B.H. Wopereis (VanWestreenen adviseurs) 0544-379737 Telefax 0544-378364 Pluimveehouderij (opfokhennen) Aanvraag omgevingsvergunning voor het pluimveebedrijf van Maatschap Walraven van Bree aan het Molenveld 4/4-a & 4-b te Sinderen 2 1. ALGEMEEN 1a. Korte beschrijving activiteiten Het in werking hebben van een agrarisch bedrijf met de volgende activiteiten: · Het exploiteren van een pluimveehouderij; · Het houden van opfokhennen; · Het opslaan van: - veevoeder - dieselolie in een tank in een lekbak - zaagsel - vaste mest in de stallen en in een afgesloten mestcontainer - medicijnen ten behoeve van de diergezondheid - ontsmettingsmiddelen ter preventie van dierziekten - bestrijdingsmiddelen (onkruid- en ongediertebestrijding) · Het in gebruik hebben van: - twee stallen met opfokhennen - een werkplaats / berging - een werktuigenberging / opslag - een mestcontainer - twee bedrijfswoningen 1b. · · · · · · Korte beschrijving wijzigingen (in hoofdlijnen) Het wijziging van een kalkoenenhouderij naar pluimveehouderij (opfokhennen); Het wijzigen en uitbreiden van de bedrijfsopzet; Het wijzigen van het huisvestingssysteem in twee bestaande stallen; Het toepassen van een emissiearm huisvestingssysteem in de twee bestaande stallen; Het optimaliseren van de bedrijfsvoering; Het actualiseren van de vergunning. 2. BESTAANDE VERGUNNINGEN/MELDINGEN Datum 24 februari 1998 Soort vergunning Revisievergunning art. 8.4 Wm Nummer - Aanvraag omgevingsvergunning voor het pluimveebedrijf van Maatschap Walraven van Bree aan het Molenveld 4/4-a & 4-b te Sinderen 3 3. VERGUNDE VEEBEZETTING Voor het agrarisch bedrijf gelegen aan het Molenveld te Sinderen is op 24 februari 1998 een vergunning artikel 8.4 van de Wet milieubeheer (thans Omgevingsvergunning) verleend. Op grond van deze vigerende vergunning mag binnen de inrichting de volgende veebezetting worden gehouden: Stal Omschrijving diercategorie Diercat. RAV D Ouderdieren van vleeskalkoenen >30 weken en ouder - overige huisvestingssystemen E Ouderdieren van vleeskalkoenen >30 weken en ouder - overige huisvestingssystemen F Ouderdieren van vleeskalkoenen >30 weken en ouder - overige huisvestingssystemen Totaal · · Volwassen paard (> 3 jaar) K1 1 0 0 7.179.6 Omrekenfactoren Odour op basis van de geldende Regeling geurhinder en veehouderij Ammoniakfactoren op basis van de geldende Regeling ammoniak en veehouderij 5,0 5,0 2.737,8 F 3.100 2.206 1,55 3.419,3 0,59 1.301,5 F 3.100 2.026 1,55 3.140,3 0,59 1.195,3 F 3.100 Aantal dieren 400 Dieren / OUE 1,55 Totaal OUE 630,0 NH3 / dier 0,59 Totaal kg NH3 236,0 Aanvraag omgevingsvergunning voor het pluimveebedrijf van Maatschap Walraven van Bree aan het Molenveld 4/4-a & 4-b te Sinderen 4 4. AANGEVRAAGDE VEEBEZETTING In de onderstaande tabel is de aangevraagde veebezetting weergegeven. Stal Omschrijving diercategorie Diercat. RAV F Opfokhennen - Volièrehuisvesting minimaal 50% van de leefruimte is rooster, met daaronder een mestband*. Roosters minimaal in twee etages // BWL2005.02.V1 E Opfokhennen - Volièrehuisvesting minimaal 50% van de leefruimte is rooster, met daaronder een mestband*. Roosters minimaal in twee etages // BWL2005.02.V1 Totaal · · 52.000 stuks 9.360,0 2.600,0 E 1.8.1 2.5000 0,18 4.500,0 0,050 1.250,0 E 1.8.1 Aantal dieren 27.000 Dieren / OUE 0,18 Totaal OUE 4.860,0 NH3 / dier 0,050 Totaal kg NH3 1.350,0 Omrekenfactoren Odour op basis van de geldende Regeling geurhinder en veehouderij Ammoniakfactoren op basis van de geldende Regeling ammoniak en veehouderij * Ten aanzien van de mest (-banden) kan het volgende worden opgemerkt: · De droge mest zal gedurende een periode van ten hoogste twee weken op het bedrijfsterrein worden opgeslagen in een afgedekte container; · De mestbanden worden minimaal 2 keer per week afgedraaid. De gewenste bedrijfsopzet is weergeven op de bijgevoegde plattegrondtekening (zie bijlage 1). Een beschrijving van het stalsysteem BWL2005.02.V1 is als bijlage 2 toegevoegd. 5. IPPC-RICHTLIJN Op 24 september 1996 is de Europese Richtlijn 96/61 EG, aangeduid als de IPPC- richtlijn inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van kracht geworden. Op grond van deze richtlijn dient bij vergunningverlening een zo hoog mogelijk niveau van bescherming voor het gehele milieu te worden bereikt. In de bijlage I van de IPPC-richtlijn zijn, ingevolgde artikel 1, categorieën van industriële activiteiten met bijbehorende drempelwaarden weergeven waarop de richtlijn betrekking heeft. Categorie 6.6 van de bijlage 1 omschrijft installaties voor intensieve pluimvee- of varkensbedrijven met meer dan: · · · 40.000 plaatsen voor pluimvee; 2.000 plaatsen voor vleesvarkens; 750 plaatsen voor zeugen / opfokzeugen. 5 Aanvraag omgevingsvergunning voor het pluimveebedrijf van Maatschap Walraven van Bree aan het Molenveld 4/4-a & 4-b te Sinderen De gevraagde vergunning omvat een wijziging en uitbreiding van een bestaande intensieve veehouderij. In de gevraagde situatie wordt, gelet op de gewenste veebezetting van 52.000 opfokhennen, de drempelwaarde zoals opgenomen in de IPPC-richtlijn (>40.000 pluimvee) overschreden en hierdoor valt de veehouderij onder de werkingssfeer van deze richtlijn. Het bedrijf moet daarom ten aanzien van de pluimveehouderij voldoen aan het `Best Avialable Techniques (BAT) principe'(BBT). Voor intensieve pluimvee- of varkenshouderijen, die onder de werking van de IPPC-richtlijn vallen, is er een BREF opgesteld (Reference Document on Best Available Techniques for Intensive Rearing of Pigs and Poultry, juli 2003). Deze is op 7 juli 2003 vastgesteld door de Europese Commissie en op 19 juli 2003 bekend gemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (PbEU 2003, C 170). De BREF voor de intensieve veehouderij is inmiddels ook aangewezen in de regeling aanwijzing BBTdocumenten. Ook de oplegnotitie wordt opgenomen in de Regeling aanwijzing BBT-documenten, zodat bij het bepalen van de voor een veehouderij in aanmerking komende beste beschikbare technieken eveneens met deze notitie rekening moet worden gehouden. De BREF/ oplegnotitie behandelt de beste beschikbare technieken voor de intensieve pluimvee- en varkenshouderij onderverdeeld naar een aantal aspecten. 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. Goede landbouwpraktijk in de intensieve varkens- en pluimveehouderij; Voerstrategieën voor pluimvee en varkens; Huisvestingssystemen; Water in de varkens- en pluimveehouderij; Energie in de varkens- en pluimveehouderij; Opslag van varkens- en pluimveemest; Behandeling van varkens- en pluimveemest op bedrijfsniveau; Het uitrijden van varkens- en pluimveemest; De aspecten "Goede landbouwpraktijk in de intensieve varkens- en pluimveehouderij", "Voerstrategieën voor pluimvee en varkens", "Behandeling van varkens- en pluimveemest op Bedrijfsniveau" en "Het uitrijden van varkens- en pluimveemest" zijn niet relevant in het kader van een vergunningprocedure op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingswet. De overige aspecten worden hierna behandeld. Ammoniakuitstoot uit het huisvestingsysteem In juli 2003 is door de Europese Commissie het BREF-document bekend gemaakt. In dit BREFdocument, is onder meer bepaald welke stalsystemen voor pluimvee voldoen aan de eis van de "beste beschikbare technieken" in de zin van de IPPC-richtlijn. Voor de diercategorie "opfokhennen" zijn er geen eisen opgenomen waaraan een stalsysteem moet voldoen om te worden aangemerkt als "best beschikbaar" in de zin van de IPPC/ BREF. Aanvraag omgevingsvergunning voor het pluimveebedrijf van Maatschap Walraven van Bree aan het Molenveld 4/4-a & 4-b te Sinderen 6 De thans gevraagde bedrijfssituatie aan het Molenveld te Sinderen voldoet aan het gestelde in de Wet ammoniak en veehouderij en het Besluit emissiearme huisvesting veehouderijen. Nederland heeft de IPPC-richtlijn verwerkt in de Wet ammoniak en veehouderij en de AMvB-huisvesting. Op grond van het gestelde in de IPPC-richtlijn en in de AMvB-huisvesting dient in principe de gehele veehouderij te zijn voorzien van de "best beschikbare technieken" (BBT). Het toegepaste huisvestingssysteem (0,050 kg NH3) heeft een aanmerkelijk lagere ammoniakemissiefactor dan het als BBT aangemerkte grondhuisvestingssysteem (0,170 kg NH3). Voor een verdere beschrijving zie paragraaf 9. Geuruitstoot uit het huisvestingsysteem In de gewenste situatie/ bedrijfsopzet is er sprake van een geringe toename van de geuremissie afkomstig van de beoogde veebezetting. Aan het gestelde in de Wet geurhinder en veehouderij kan ruimschoots worden voldaan (zie paragraaf 8). Gelet op het voornoemde is er geen sprake van een significante toename van verontreiniging als gevolg van de toename van de geuremissie. Energieverbruik De IPPC-richtlijn bepaald dat ook andere milieuaspecten moeten worden beoordeeld. In het BREFdocument zijn daartoe meer BBT-maatregelen opgenomen. BBT is in dat kader het verminderen van het energieverbruik door een goede landbouwpraktijk toe te passen, te beginnen met de stalinrichting en door stallen en materieel op de juiste manier te gebruiken en te onderhouden. Het bedrijf dient daartoe een boekhouding van het energie- en waterverbruik bij te houden, het voerverbruik en de afvoer van mest te registreren. Voor mechanisch geventileerde stallen dient een optimaal ontworpen ventilatiesysteem te worden toegepast, waarbij een goede temperatuurbeheersing en een minimale ventilatiegraad in de winter mogelijk is. Door onderhoud en inspectie van de installaties wordt weerstand/ vervuiling voorkomen. In de pluimveestallen wordt een volautomatisch ventilatiesysteem toegepast dat vanuit een centrale klimaatcomputer wordt aangestuurd. Het systeem wordt continue afgestemd (frequentieregeling) op de feitelijke ventilatiebehoefte zodat er sprake is van een minimale ventilatie. De pluimveestallen zijn hiertoe uitgevoerd met lengteventilatie, waar bij de ventilatoren zijn geplaatst in de nok- en achtergevels. Voor de verwarming van de pluimveestallen wordt gebruik gemaakt van een verwarmingssysteem met (indirect gestookte) warmteheaters en ventilatoren. De stallen zijn reeds geïsoleerd uitgevoerd (dak). Tevens wordt er energiezuinig met verlichting omgegaan, zoals het werken met energiezuinige verlichting en een nachtschakelaar evenals het toepassen van lichtschema's. Hierdoor wordt voldaan aan de geldende BAT-maatregelen als beschreven in het BREF-document. Waterverbruik De BBT-maatregelen voor waterverbruik zijn het toepassen van een hogedrukreiniger, het periodiek ijken van de drinkwaterinstallaties, het opsporen en repareren van lekken en het registreren van het watergebruik. De stallen worden na het afleveren van de dieren volledig gereinigd en ontsmet, waarbij onder meer gebruik wordt gemaakt van een hogedrukreiniger. Hierbij worden de stallen eerst veegschoon gemaakt en vervolgens ingeweekt. Het controleren van de watervoorziening / - leidingen en het repareren van eventuele lekkages wordt uiteraard uitgevoerd. Daarnaast wordt het waterverbruik geregistreerd. Gezien het bovenstaande wordt voldaan aan de geldende BBTmaatregelen, als beschreven in het BREF-document. Aanvraag omgevingsvergunning voor het pluimveebedrijf van Maatschap Walraven van Bree aan het Molenveld 4/4-a & 4-b te Sinderen 7 Opslag van mest / bodembescherming De nitraatrichtlijn bevat minimumvoorschriften voor de opslag van mest in het algemeen, met als doel om alle water een algemeen beschermingsniveau tegen verontreiniging te bieden. BAT houdt in dat de opslagfaciliteiten voor pluimveemest voldoende capaciteit hebben om de mest op te slaan tot het moment waarop deze op het land kan worden gebracht/ kan worden afgevoerd. Deze opslagfaciliteit moet worden uitgevoerd met een mestdichte vloer en een overkapping. Binnen de inrichting zal de pluimveemest worden opgeslagen in een afgedekte mestcontainer. De mest zal gedurende een periode van ten hoogste twee weken op het bedrijfsterrein worden opgeslagen. Ten aanzien van de opslag van pluimveemest wordt derhalve voldaan aan het gestelde in de BREF en de IPPC-richtlijn. Grond- en afvalstoffen Vrijwel alle bedrijven in de landbouw hebben te maken met de regelgeving `mestbeleid 2006'. De bedoeling van het beleid is dat bedrijven de aan- en afvoer van mineralen (fosfaat en nitraat) in kaart brengen. Uiteindelijk moet dit er toe leiden dat de aan- en afvoer van mineralen op een bedrijf in balans zijn. Agrariërs hebben tal van mogelijkheden om deze mineralenbalans te beïnvloeden. Gevolg van het bewuster gebruiken van mineralen is ook het zuiniger en gerichter gebruik ervan. Het beleid bewerkstelligt derhalve een zuinig gebruik van grondstoffen. De vrijkomende afvalstoffen worden afzonderlijk binnen de inrichting opgeslagen en worden afgevoerd uit de inrichting. De afvalstoffen worden door erkende afvalverwerkers verwerkt. Gelet op bovenstaande voldoet het pluimveebedrijf aan het gestelde in het BREF-document en is er, mede gelet op de ruime afname van de ammoniakemissie, geen sprake van een "significante toename van de verontreiniging". De IPPC-richtlijn vormt dan ook geen belemmering om de gevraagde vergunning te kunnen verlenen. 7. MER-BESLUIT In het Besluit Milieu-effectrapportage 1994 (gewijzigd in 1999, 2006 en 2011) is de activiteit "het houden van dieren" opgenomen in bijlagen 2 en 3 onder categorie 14. Uit deze categorie kan worden afgeleid dat bij het oprichten van een stal met een capaciteit voor het houden van meer dan 40.000 hennen (of opfokhennen) een MER-beoordelingsplicht geldt. Indien binnen een nieuwe installatie/ stalruimte meer dan 60.000 hennen (of opfokhennen) worden gehuisvest, dient voor deze activiteit een milieueffectenrapportage (MER) te worden opgesteld. Nu binnen de veehouderij aan het Molenveld de twee bestaande stallen worden aangepast/ omgebouwd naar een volièrehuisvestingssysteem voor 52.000 opfokhennen, geldt voor deze wijziging een MER-beoordelingsplicht. De drempelwaarden voor de rechtstreekse MER-plicht worden in de gewenste situatie niet overschreden. Ten behoeve van de Wabo-aanvraag is dan ook een aanmeldingsnotitie voor een MER-beoordeling ingediend bij de gemeente Oude IJsselstreek. Het college van B&W van Oude IJsselstreek heeft de aanmeldnotitie beoordeeld en aangegeven dat voor onderhavige veehouderij/ gewenste situatie geen MER behoeft te worden opgesteld. Dit besluit is d.d. 26 oktober 2011 gepubliceerd in de Gelderse Post en de Staatscourant. Aanvraag omgevingsvergunning voor het pluimveebedrijf van Maatschap Walraven van Bree aan het Molenveld 4/4-a & 4-b te Sinderen 8 8. BEOORDELING GEUR Onderhavige veehouderij ligt in het buitengebied van Sinderen // gemeente Oude IJsselstreek. Het bedrijf is hierdoor gelegen in een "concentratiegebied" c.q. Reconstructiegebied. De Wet geurhinder en veehouderij en de bijbehorende regeling zijn maatgevend bij een beoordeling van de geurhinder afkomstig van de veehouderij. 8a. Diercategorieën met omrekeningsfactoren Voor dieren met omrekeningsfactoren, zoals opfokhennen, wordt door middel van het verspreidingsmodel "V-stacks" de geuremissie uit de veehouderij omgerekend naar geurbelasting op de geurgevoelige objecten in de omgeving van de veehouderij. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij bedraagt de normstelling ter plaatse van een woning van derden (in een concentratiegebied) 14 OUE/m3. In de gewenste situatie bedraagt de totale geuremissie afkomstig van de veebezetting 9.360 OUE. Uit een beoordeling op grond van het verspreidingsmodel "V-stacks" blijkt dat in de gewenste situatie wordt voldaan aan de normstelling 14 OUE/m3 ter plaatse van de maatgevende woning (Molenveld 2) in het buitengebied van Sinderen. Een uitdraai van de "V-stacks" berekening is als bijlage 3 aan deze aanvraag toegevoegd. Uitgangspunten berekening V-stack: · Stal E: o 5 ventilatoren: Achtergevel 2 x 1000 mm/ 3 x 1400 mm Totale berekende diameter = 2,81 m o Hoogte uitstootpunt: 1,5 m (horizontaal) o Gemiddelde gebouwhoogte: 3,2 m o Uittreedsnelheid: 0,4 m/s (standaard bij horizontaal) o 25.000 opfokhennen = 4.500,0 OUE · Stal F: o 7 ventilatoren (nok- en lengteventilatie) Nok 4 x 630 mm Achtergevel 2 x 1400 mm Zijgevel 1 x 1000 mm Gemiddelde oppervlakte ventilatoren = 0,73 m2 · gemiddelde diameter = 0,96 m o Hoogte uitstootpunt: 3,5 m (gemiddeld) o Gemiddelde gebouwhoogte: 3,2 m o Uittreedsnelheid: 0,4 m/s (standaard bij nok- & lengteventilatie) o 27.000 opfokhennen = 4.860,0 OUE Aanvraag omgevingsvergunning voor het pluimveebedrijf van Maatschap Walraven van Bree aan het Molenveld 4/4-a & 4-b te Sinderen 9 Ten aanzien van bovenstaande kan nog worden opgemerkt dat ten aanzien van de omliggende bedrijfswoningen behorende bij een veehouderij van derden (Kasselderstraat 6-b) ruimschoots wordt voldaan aan de geldende minimale vaste afstandseis van 50 meter. 8b. Diercategorieën met vaste afstanden Er zijn binnen het bedrijf geen dieren aanwezig waarvoor in de Regeling geurhinder en veehouderij geen geuremissiefactoren zijn opgenomen (zoals rundvee). Zodoende behoeft er in dit geval ook niet getoetst te worden aan de vaste afstanden, welke voor deze dieren gelden, tot geurgevoelige objecten. 8c. Gevelafstanden Volgens de Wet geurhinder en veehouderij geldt een minimaal in acht te nemen afstand tussen de dichtstbijzijnde gevel van een stal waarin dieren worden gehouden en de gevel van het dichtstbijzijnde voor stank gevoelige object. Deze afstanden zien er als volgt uit: Categorieën Woning in de bebouwde kom Afstand in acht te nemen 50 meter Werkelijke afstanden >> 50 meter (niet binnen invloedssfeer) >> 107 meter woning van derden aan het Molenveld 2 >> 150 meter woning aan de Kasselderstraat 6-b Woning buiten de bebouwde kom 25 meter Woning behorende bij veehouderij 25 meter 8d. Cumulatieve stankhinder Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij en de bijbehorende regeling behoeft geen beoordeling van de cumulatieve stankhinder meer te worden uitgevoerd. Het aspect cumulatieve stankhinder vormt dan ook geen weigeringsgrond voor de gevraagde vergunning. Conclusie: Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij kan de gevraagde vergunning worden verleend. Aanvraag omgevingsvergunning voor het pluimveebedrijf van Maatschap Walraven van Bree aan het Molenveld 4/4-a & 4-b te Sinderen 10 9. BEOORDELING AMMONIAK 9a. Wet ammoniak en veehouderij (Wav) Binnen 250 meter van onderhavige inrichting bevindt zich geen "zeer kwetsbaar natuurgebied". De Wet ammoniak en veehouderij is hierdoor op onderhavige inrichting niet direct van toepassing. De ammoniakemissie afkomstig van onderhavige veehouderij vormt, gelet op het gestelde in de Wet ammoniak en veehouderij, dan ook geen aanleiding om de gevraagde vergunning te weigeren. Hierbij kan nog worden opgemerkt dat in de gewenste situatie, ten opzichte van de reeds vergunde situatie, er sprake is van een ruime afname van de ammoniakemissie. 9b. Directe ammoniakschade Er zijn in de omgeving van de inrichting, voor zover bekend, geen voor NH3-gevoelige land- en tuinbouwgewassen gelegen. Er is derhalve geen reden om aan te nemen, dat op dergelijke gewassen, directe schade als gevolg van de uitgestoten NH3 zal plaats vinden. Aan het gestelde in de Brochure Stallucht en Planten (1981) wordt dan ook voldaan. Hierbij kan nog worden opgemerkt dat in de gewenste situatie, ten opzichte van de reeds vergunde situatie, er sprake is van een ruime afname van de ammoniakemissie. 9c. Vogel- en Habitatrichtlijn In het kader van Europese regelgeving zijn binnen Nederland Vogelrichtlijngebieden en Habitatgebieden aangemeld (VHR-gebieden). Deze gebieden worden ook wel Natura 2000 gebieden genoemd en vallen onder de werkingssfeer van de Natuurbeschermingswet. Het college van GS van Gelderland is het bevoegd gezag ten aanzien van de Natuurbeschermingswet. In de directe omgeving van de veehouderij is geen natuurgebied gelegen, wat valt onder de werkingssfeer van de Vogel- / Habitatrichtlijn. Tevens is er in de gewenste bedrijfssituatie, ten opzichte van de vigerende milieuvergunning, sprake van een afname van ammoniakemissie/ -depositie. Hierdoor is er geen sprake van een "significante toename van de verontreiniging" ter plaatse van een Vogelrichtlijn-/ Habitatrichtlijngebied. De Habitat- en Vogelrichtlijn en/of de Natuurbeschermingswet vormen derhalve geen aanleiding om de gevraagde vergunning te weigeren. Voor de volledigheid is op 6 december 2011 een aanvraag in gediend op grond van de Natuurbeschermingswet bij provincie Gelderland. Een ontvangstbevestiging van de provincie voor de genoemde aanvraag is bijgevoegd als bijlage 4. Aanvraag omgevingsvergunning voor het pluimveebedrijf van Maatschap Walraven van Bree aan het Molenveld 4/4-a & 4-b te Sinderen 11 9d. Besluit emissiearme huisvesting veehouderijen Op 28 december 2005 is het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij (AMvB-huisvesting) gepubliceerd in het Staatsblad (2005, nr. 675). Dit besluit is op 1 april 2008 in werking getreden. In het Besluit huisvesting is aangegeven dat ammoniakemissie uit huisvestingssystemen niet hoger mag zijn dan de daarvoor geldende maximale emissiewaarde. Opfokhennen In het Besluit huisvesting wordt onderscheid gemaakt tussen opfokhennen in batterij- en nietbatterijhuisvesting (scharrel/ volière). Zoals in onderstaande tabel is weergegeven, is er voor opfokhennen in niet-batterijhuisvesting (zoals het volièresysteem) geen maximale emissiewaarde vastgesteld. Voor deze diercategorie wordt het toepassen van grondhuisvesting (= 0,170 kg NH3 per dierplaats per jaar) als best beschikbaar beschouwd. Omschrijving diercategorie Opfokhennen Maximale emissiewaarde (kg NH3 per dierplaats per jaar) Batterijhuisvesting: 0,006 kg Niet-batterijhuisvesting: niet vastgesteld In de gewenste bedrijfssituatie wordt het emissiearme volièrehuisvestingssysteem BWL 2005.02.V1 (= 0,050 kg NH3 per dierplaats per jaar) toegepast. Zoals reeds beschreven, zal de mest gedurende een periode van ten hoogste twee weken op het bedrijfsterrein worden opgeslagen in een afgedekte mestcontainer. Ten aanzien van de mestbanden kan worden gesteld dat deze minimaal twee keer per week worden afgedraaid. De stallen voldoen hierdoor aan de geldende maximale emissiewaarden op grond van het Besluit emissiearme huisvesting veehouderijen (AMvB-huisvesting) / BBT. De gevraagde situatie voldoet hierdoor aan het gestelde in de Wet ammoniak en veehouderij en de AMvB-huisvesting. Aanvraag omgevingsvergunning voor het pluimveebedrijf van Maatschap Walraven van Bree aan het Molenveld 4/4-a & 4-b te Sinderen 12 10. GELUID 10a. Werktijden De veehouderij is zeven dagen per week continue in bedrijf. De werktijden zijn van 7 uur 's ochtends tot 19 uur 's avonds, met uitzondering van incidentele activiteiten. Gedurende een beperkt aantal dagen per jaar (2 x per 17 weken) worden ook werkzaamheden (afwijkende bedrijfstijden) uitgevoerd in de avond- en nachtperiode (22.00 tot 6.00 uur) in verband met de afvoer van de opfokhennen. Op zon- en feestdagen worden de werkzaamheden tot een minimum beperkt. 10b. Omschrijving geluidsbronnen binnen de inrichting: Aantal Aantal uren in bedrijf tussen: 07.00-19.00 uur Verreiker (nr. 6) Hoge drukreiniger (nr. 14) Noodstroomaggregaat (nr. 9) 1 2 1 3,5 1,5 Incidenteel 19.00-23.00 uur 1,5 0,5 Incidenteel 23.00-07.00 uur 0,5 Incidenteel 10c. Welke aan- en afvoerbewegingen vinden er plaats? Frequentie Max. (aantal dagen per tijdsduur aangegeven periode) Aantal voertuigen voor aan- en afvoer per activiteit: Geluid-/trillingsbron 07.00 - 19.00 u. Aanvoer veevoer Aanvoer opfokhennen Afvoer opfokhennen* Afvoer vaste mest** Afvoer kadavers Aanvoer dieselolie Afvoer afvalstoffen Aanvoer zaagsel 2 x per week 2 x per 17 weken 2 x per 17 weken 1 x per 2 weken Op afroep 3 x per jaar 1 x per week 1 x per 4 weken 0,5 uur 4 uur 4 uur 0,5 uur 5 minuten 0,5 uur 5 minuten 1,5 uur 1 vrachtwagen 1 vrachtwagen 1 vrachtwagen 1 vrachtwagen 1 vrachtwagen 1 vrachtwagen 1 vrachtwagen 19.00 - 23.00 u. - 23.00 - 07.00 u. 5 vrachtwagens - Aanvraag omgevingsvergunning voor het pluimveebedrijf van Maatschap Walraven van Bree aan het Molenveld 4/4-a & 4-b te Sinderen 13 Geluid-/trillingsbron Frequentie (aantal Max. dagen per aangegeven tijdsduur periode) Aantal voertuigen voor aan- en afvoer per activiteit: Overige aanvoer / onvoorzien Personenauto's Bestelbus 1 x per maand 1 uur 1 vrachtwagen - - 5 per dag 2 per week 5 minuten 5 minuten 3 2 1 - 1 - * De afvoer van de opfokhennen geschiedt normaliter in de avond- / nachtperiode en is afhankelijk van de planning van de slachterij / transporteur / afnemer; ** De gedroogde, vaste pluimveemest wordt opgeslagen in een afgedekte mestcontainer. Deze mest zal gedurende een periode van ten hoogste twee weken op het bedrijfsterrein worden opgeslagen, waarna, zonder verdere behandeling, de mest uit de inrichting wordt afgevoerd. 10d. Zijn er ventilatoren op het bedrijf aanwezig? ja,: 6 x nokventilator (0,35 kW // doorsnede 630 mcm) 5 x gevelventilator (0,55 kW // doorsnede 1400 mm) 2 x gevelventilator (0,70 kW // doorsnede 500 mm) 2 x gevelventilator (0,75 kW // doorsnede 1000 mm) symbool 1 en 5 op tekening symbool 2 op tekening symbool 3 op tekening symbool 4 op tekening 10e. Voorzieningen tegen geluidsoverlast Toepassen van geluidarme ventilatoren (met frequentieregeling) 11. ENERGIE 11a. Algemeen Hebben de aangevraagde wijzigingen invloed op het energieverbruik Ja, de wijziging van een kalkoenhouderij naar een pluimveehouderij en daarmee het uitbreiden in aantal dieren, in combinatie met het toepassen van een emissiearm stalsysteem zal in geringe mate leiden tot een hoger energieverbruik Aanvraag omgevingsvergunning voor het pluimveebedrijf van Maatschap Walraven van Bree aan het Molenveld 4/4-a & 4-b te Sinderen 14 11b. Overzicht geschat energieverbruik per jaar Het gemiddelde energie- en waterverbruik in de gewenste situatie is als volgt: Energiedrager gas (in m3) elektriciteit (in kWh) 11c. Verbruik per jaar 27.000 44.000 Wordt er gebruik gemaakt van krachtstroom (380 Volt) Ja Vragenlijst melkveehouderij Niet van toepassing Vragenlijst kalverhouderij Niet van toepassing Vragenlijst varkenshouderij Niet van toepassing Vragenlijst pluimveehouderij 11d. 11e. 11f. 11g. Verlichting Welke van den onderstaande energiezuinige verlichtingstechnieken worden toegepast? natuurlijke daglichtintreding aanwezigheidsdetectie centrale lichtschakelaar schakelklok en schemerschakelaar buiten- en terreinverlichting spaarlampen / Tl-verlichting lichtschema's Isolatie Welk van de onderstaande voorzieningen worden toegepast? dak- / plafondisolatie (spouw)muurisolatie isolatie van leidingen Aanvraag omgevingsvergunning voor het pluimveebedrijf van Maatschap Walraven van Bree aan het Molenveld 4/4-a & 4-b te Sinderen 15 Ventilatie Welke maatregelen met betrekking tot mechanische ventilatie worden toegepast? warmteterugwinning klimaatcomputer frequentieregeling hybride ventilatie lengteventilatie anders: Verwarming Welk type verwarming wordt toegepast? Houtgestookte verwarming directe luchtverwarming (div. heaters) Wat is de uitvoering van de stooktoestellen conventioneel VR HR Zijn er aanvullende maatregelen getroffen? optimalisering en weersafhankelijke regeling verwarming eigen CV-groep of -ketel voor afwijkende ruimtes vloerverwarming gekoppeld aan warmtepompen Analyse energieverbruik Is eerder een energiebesparingonderzoek uitgevoerd? Nee Meten en registreren van energiegegevens. Gas Elektriciteit Jaarrekening Jaarrekening 1x / jaar 1x / jaar Energiebedrijf / eigen meting Energiebedrijf / eigen meting Er wordt gebruik gemaakt van zonne-energie? ja nee Er wordt gebruik gemaakt van windenergie? ja nee Conclusie: Gelet op bovenstaande worden momenteel / in de gewenste bedrijfsopzet alle mogelijke energiebesparende maatregelen getroffen. Aanvraag omgevingsvergunning voor het pluimveebedrijf van Maatschap Walraven van Bree aan het Molenveld 4/4-a & 4-b te Sinderen 16 12. 12a. WATER Waterver(ge)bruik (schatting) m3 per jaar 4.500 m3 Globaal gebruiksdoel Drinkwater privé /drinkwater vee / schoonmaakwerkzaamheden / calamiteiten Soort water Leidingwater Grondwater Totaal 0 m3 4.500 m3 12b. Bedrijfsafvalwater Verontreinigde stoffen die in het afvalwater kunnen komen: Handeling waarbij afvalwater vrijkomt Reinigen stallen* Bedrijfswoningen / sanitaire voorzieningen Hemelwater Afvalstof Opvang afvalwater in Stof-, voer,- en mestresten Afvalwater van huishoudelijke aard Gemeentelijke riolering Bodem / sloot * De stallen zijn niet aangesloten op een opvangkelder. Tijdens het schoonmaken wordt het spoelwater direct opgezogen met behulp van een tractor en een gierkar. Dit spoelwater wordt vervolgens direct afgevoerd en verspreid over beschikbare landbouwgronden. 13. Type KOELINSTALLATIE Aantal Koelmedium Hoeveelheid koudemiddel 1,5 kg Capaciteit Kadaverkoeling 1 R134a 0,5 kW (nr. 8) Aanvraag omgevingsvergunning voor het pluimveebedrijf van Maatschap Walraven van Bree aan het Molenveld 4/4-a & 4-b te Sinderen 17 14. 14a. Soort OPSLAG STOFFEN Opslag vloeibare stoffen Type opslag Inhoud / Hoeveelheid 1.200 liter Nummer op tekening 1 Dieselolie Tank (staal / in lekbak / handpomp) Divers in afgesloten kast Divers in afgesloten kast Divers in afgesloten kast Medicijnen Ontsmettingsmiddelen Bestrijdingsmiddelen (ongedierte / onkruid) 14b. 25 kg / l 30 kg / l 50 kg / l 31 17 10 Opslag gas Niet van toepassing Opslag overige stoffen Type opslag Silo's (5 stuks) Los gestort / balen Inhoud / Hoeveelheid 15 m3/ silo 50 ton Nummer op tekening Silo 1 32 14c. Soort Krachtvoer Zaagsel 15. 15a. AFVALSTOFFEN Bedrijfsafvalstoffen Wijze van opslag Tonnen in kadaverkoeling Dozen (nr. 5 gebouw H) Afvoerfrequentie Op afroep Maandelijks Inzamelaar / verwerker Rendac Vereniging verwerker erkende Soort afval Kadavers Papier Restafval Containers (nrs. 2 en 3 gebouw H) 2 x per maand Gemeente Oude IJsselstreek Oud ijzerboer Oud ijzer Bak (nr. 33 gebouw H) 1 x per jaar Aanvraag omgevingsvergunning voor het pluimveebedrijf van Maatschap Walraven van Bree aan het Molenveld 4/4-a & 4-b te Sinderen 18 15b. Gevaarlijke afvalstoffen Hoeveelheid Wijze van opslag Afvoerfrequentie per jaar 20 stuks Doos (nr. 34 gebouw H) Chemobox (nr. 4 gebouw H) 1 x per jaar Inzamelaar / verwerker Soort afval Kapotte lampen Chemo-depot KGA 15 liter / kg 1 x per jaar Chemo-depot 16. 16a. Soort MEST Opslag mest Hoeveelheid 40 m3 Afgedekt? Ja Vloeibare mest Vaste pluimveemest in container 16b. Afstanden tussen mestopslag en woningen van derden Afstand in meters Afstand tussen opslag van dunne mest Afstand tussen opslag van vaste mest >> 100 meter 17. RUWVOER Niet van toepassing Aanvraag omgevingsvergunning voor het pluimveebedrijf van Maatschap Walraven van Bree aan het Molenveld 4/4-a & 4-b te Sinderen 19 18. 18a. BODEM Is er een bodem kwaliteitsonderzoek verricht? Nee Zijn er bodembeschermende maatregelen getroffen? Activiteit opslag ontsmettings- / reinigingsmiddelen opslag bestrijdingsmiddelen opslag medicijnen opslag dieselolie (eigen voertuigen) afleveren diesel werktuigenberging / werkplaats opslag mest houden van dieren Maatregel werkvoorraad in dichte kast werkvoorraad in dichte kast werkvoorraad in dichte kast stalen tank in lekbak vloeistofkerende vloer vloeistofkerende vloer mestdichte container mestdichte vloeren in de stallen 18b. · · · · · · · · Gelet op bovenstaande zijn voor alle bodembedreigende activiteiten voldoende maatregelen getroffen. Op grond van de Nederlandse Richtlijn Bodemrisico is er hierdoor sprake van een aanvaardbaar verwaarloosbaar risico op bodemverontreiniging. 19. METINGEN EN REGISTRATIE leidingwaterverbruik grondstoffenverbruik afvalstoffen energieverbruik keuringen / inspecties, o.a. brandblusmiddelen, heaters etc. bedrijfsafvalwater 20. BRANDVEILIGHEID Brandblusmiddelen zijn aanwezig de brandblussers zijn op de milieutekening aangegeven. Aanvraag omgevingsvergunning voor het pluimveebedrijf van Maatschap Walraven van Bree aan het Molenveld 4/4-a & 4-b te Sinderen 20 21. 21a. OVERIGE VERGUNNINGEN EN/OF MELDINGEN DIE VAN TOEPASSING ZIJN Bouwvergunning noodzakelijk? Nee Sloopvergunning noodzakelijk? Nee 21b. 21c. Waterwet Vinden er lozingen plaats waarvoor een Waterwet-vergunning nodig is? Nee 22. TOEKOMSTIGE ONTWIKKELINGEN Zijn er nog relevante toekomstige ontwikkelingen die van belang zijn voor deze aanvraag? Nee (afhankelijke van wet- en regelgeving) 23. · · NADERE GEGEVENS Ten aanzien van de aanwezige installaties, het elektrische vermogen en het vermogen van de verbrandingsmotoren wordt verwezen naar de plattegrondtekening. Voor een beoordeling ten aanzien van het gestelde in de Wet Luchtkwaliteit / uitstoot fijn stof, is een berekening / beoordeling gemaakt met behulp van het programma ISL 3a uitgevoerd. De resultaten van deze berekening zijn als bijlage 5 aan deze aanvraag toegevoegd. Uit de berekening blijkt dat ter plaatse van de omliggende woningen van derden (Molenveld 2 en Kasselderstraat 6 en 6-b) ruimschoots aan de geldende grenswaarde van 40 microgram per m3 wordt voldaan. Na de realisatie van het plan bedraagt de concentratie fijn stof (PM10) ter plaatse van deze woningen respectievelijk 25,52; 25,09 en 24,73 microgram per m3. Het aantal overschrijdingsdagen bedraagt maximaal 15,9. 24. BIJLAGEN Plattegrondtekening inrichting (inclusief situatieschets) los bijgevoegd Stalbeschrijvingen BWL2005.02.V1 Uitdraai V-stacks vergunningen Ontvangstbevestiging prov. Gelderland Natuurbeschermingswetvergunning aanvraag Resultaten berekeningen ISL3a Bijlage 1: Bijlage 2: Bijlage 3: Bijlage 4: Bijlage 5: Aanvraag omgevingsvergunning voor het pluimveebedrijf van Maatschap Walraven van Bree aan het Molenveld 4/4-a & 4-b te Sinderen 21 25. Plaats: ONDERTEKENING SINDEREN Datum: 9 december 2011 Naam: Handtekening: Aanvraag omgevingsvergunning voor het pluimveebedrijf van Maatschap Walraven van Bree aan het Molenveld 4/4-a & 4-b te Sinderen 22
http://gemeente.oude-ijsselstreek.n...alraven_toelichting_op_aanvraag.pdfResultaat 4 - walraven reactie provincie.pdf application/pdf
http://gemeente.oude-ijsselstreek.n...heer/walraven_reactie_provincie.pdfResultaat 5 - walraven plattegrondtekening.pdf application/pdf
http://gemeente.oude-ijsselstreek.n...er/walraven_plattegrondtekening.pdfResultaat 6 - walraven ontwerpvoorschriften.pdf application/pdf
Behoort bij de ontwerpbeschikking van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oude IJsselstreek d.d. 30 januari 2012 betreffende de aanvraag van maatschap Walravenvan Bree, Molenveld 4a, 7065 BV in Sinderen voor een omgevingsvergunning ingevolge de Wabo voor een pluimveehouderij. -.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.- VOORSCHRIFTEN OMGEVINGSVERGUNNING INHOUD Algemene voorschriften................................................................................................................... 2 Inhoud vergunning .......................................................................................................................... 2 Staat van onderhoud, milieuzorg en diversen ..................................................................................... 2 Afvalstoffen.................................................................................................................................... 2 Brandgevaar .................................................................................................................................. 3 Stookinstallaties ............................................................................................................................. 3 Opslag gevaarlijke stoffen................................................................................................................ 3 Bodembescherming ........................................................................................................................ 4 Geluidhinder .................................................................................................................................. 5 Energie- en waterbesparing ............................................................................................................. 6 Voorschriften met betrekking tot de bovengrondse brandstoftank .......................................................... 6 Voorschriften met betrekking tot de (onderhouds)werkplaats ................................................................ 7 Voorschriften met betrekking tot de veehouderij.................................................................................. 7 Voorschriften met betrekking tot Groen Labelsystemen ....................................................................... 9 Milieulogboek................................................................................................................................. 9 Nazorgverplichting ........................................................................................................................ 10 Begrippenlijst. .............................................................................................................................. 11 1. 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. Naam inrichting: maatschap Walraven-van Bree Adres inrichting: Molenveld 4a in Sinderen 1 1. 1.1 1. ALGEMENE VOORSCHRIFTEN Inhoud vergunning De gehele aanvraag en de daarbij behorende bescheiden maken deel uit van deze vergunning. 1.2 1. Staat van onderhoud, milieuzorg en diversen Derden, die binnen de inrichting werkzaamheden verrichten moeten, vooraf aan deze werkzaamheden, zodanig zijn geïnstrueerd dat zij de aan hem opgedragen werkzaamheden kunnen verrichten conform deze vergunning. De inrichting moet te allen tijde in een schone en ordelijke toestand en de opstallen en installaties in een goede staat van onderhoud verkeren. Degene die de inrichting drijft is gehouden te doen en na te laten hetgeen redelijkerwijs gevergd kan worden om gevaar en schade dan wel hinder buiten de inrichting te voorkomen of te beperken. Telkenmale wanneer in de gebouwen of op de terreinen van de inrichting dan wel in de naaste omgeving daarvan ongedierte wordt waargenomen (zoals ratten, muizen, insecten, mijten e.d.) moeten doeltreffende bestrijdingsmaatregelen worden genomen. De elektrische installatie moet voldoen aan Nen 1010, Nen 3140, Nen en 50110 en Nen en IEC 60079. Uitmondingen in de buitenlucht van afvoeren van ventilatiesystemen, luchtbehandelinginstallaties of afzuigsystemen, ten aanzien waarvan in de vergunning geen andere voorschriften zijn gesteld, moeten zodanig zijn gesitueerd dat van de hierdoor uittredende lucht en de daarin aanwezige stoffen geen hinder wordt ondervonden buiten de inrichting. De vergunninghouder is gehouden die voorzieningen/maatregelen te treffen die redelijkerwijs van haar verlangd kunnen worden teneinde de schade aan het milieu zoveel mogelijk te beperken. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 1.3 1. Afvalstoffen Het bewaren van afvalstoffen moet op ordelijke en nette wijze gescheiden. Van afvalstoffen afkomstige geur en stof mogen zich niet buiten de inrichting kunnen verspreiden; gemorste of gelekte stoffen moeten zo spoedig mogelijk worden opgeruimd. Het is verboden afvalstoffen, van welke aard dan ook, op het terrein van de inrichting te storten, te begraven, te doen of te laten uitvloeien of te verbranden. Stoffen die om welke reden dan ook niet (meer) worden toegepast moeten zo spoedig mogelijk uit de inrichting worden afgevoerd naar een daarvoor bestemde inrichting. Het in de inrichting vrijkomende bedrijfsafval, dat afzonderlijk verwerkt kan worden, zoals papier, oud ijzer, landbouwplastic, gevaarlijke afvalstoffen, kadavers e.d. moeten gescheiden worden bewaard en afgevoerd worden naar de betreffende verwerkingsinrichtingen. 2 2. 3. 4. Naam inrichting: maatschap Walraven-van Bree Adres inrichting: Molenveld 4a in Sinderen 5. De vergunninghouder dient de hoeveelheid (gevaarlijke) afvalstoffen die in de inrichting vrij kunnen komen zo veel mogelijk te beperken. Verder dient zij bij het bouwen en onderhouden van de inrichting die materialen te bezigen die op het moment dat zij in het afvalstadium geraken het milieu zo weinig mogelijk belasten. Gevaarlijk afval dient regelmatig, minimaal éénmaal per jaar, op zorgvuldige wijze te worden afgevoerd door een daartoe erkend bedrijf. 6. 1.4 1. Brandgevaar Binnen de inrichting moeten de op tekening vermelde draagbare poederblusser aanwezig zijn. Elk brandblusmiddel moet op een in het oog lopende plaats of wijze zijn aangebracht, onbelemmerd bereikt kunnen worden, in goede staat van onderhoud verkeren en steeds voor direct gebruik beschikbaar zijn; het onderhoud dient te geschieden overeenkomstig NEN 2559. Elk brandblusser moet zijn voorzien van een geldig Rijkskeurmerk met bijbehorend rangnummer. Elke brandblusser moet worden gecontroleerd door een REOB erkend onderhoudsbedrijf. Elk blusmiddel moet zijn voorzien van een label of sticker met daarop de laatste controledatum. 2. 3. 4. 5. 1.5 1. Stookinstallaties Een gasstooktoestel, de opstellings- of stookruimte, en de afvoer van de rookgassen moeten voldoen aan NEN 1078, NEN 2078 en NEN 3028. Een gasstooktoestel moet voldoen aan de GIVEG-keuringseisen voor zover deze betrekking hebben op de beveiliging, de ontsteking en het ontwijken van gas en moet rechtmatig zijn voorzien van het GIVEG-keurmerk. Een aardgasgestookt toestel moet regelmatig en vakkundig worden onderhouden, afgesteld en zo vaak als nodig is, maar tenminste éénmaal per jaar worden gereinigd, zonder dat roet/stof of ander vuil zich daarbij buiten de inrichting kan verspreiden. Nieuwe en/of ter vervanging te plaatsen verwarmingsinstallaties dienen te voldoen aan de CE- en NOx-type goedkeuringseisen en moeten op de voorgeschreven wijze zijn voorzien van een CE-markering en het NOx-type goedkeuringskenmerk. Nieuwe en/of ter vervanging te plaatsen verwarmingsinstallaties dienen te voldoen aan de omschrijving "hoog rendement". 2. 3. 4. 5. 1.6 1. Opslag gevaarlijke stoffen De (wijze van) opslag van gevaarlijke stoffen dient te voldoen aan PGS 15 (voorheen CPR 15-1), indien hiervan meer dan de in tabel 3 van PGS 15 genoemde hoeveelheden worden opgeslagen. Naam inrichting: maatschap Walraven-van Bree Adres inrichting: Molenveld 4a in Sinderen 3 2. Indien de in voorschrift 1.6.1 genoemde ondergrenzen niet worden overschreden, dienen de gevaarlijke stoffen wel verantwoord opgeslagen te worden. De opslag mag niet op de werkvloer plaatsvinden tenzij het gaat om een hoeveelheid die als werkvoorraad kan worden aangeduid. De opslag, overslag, bewerking en verwerking van vloeibare brandbare stoffen, gevaarlijke stoffen en de hiervan afkomstige afvalstoffen geschiedt overeenkomstig de aanwijzingen, waarschuwingen en gegevens op de verpakkingen van het bij de desbetreffende stoffen behorende veiligheidsinformatieblad. 3. 2. 1. BODEMBESCHERMING De bodembeschermende voorzieningen of maatregelen dienen te voldoen aan bodemrisicocategorie A zoals gedefinieerd in de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB). Bodemrisicocategorie A betekent dat er een verwaarloosbaar bodemrisico is. Het is verboden vloeistoffen definitief in de bodem te brengen, met uitzondering van oppervlaktewater, hemelwater of drinkwater, indien daaraan geen verontreinigende stoffen zijn toegevoegd, de concentratie verontreinigende stoffen niet door een bewerking van het water is toegenomen en daaraan geen warmte is toegevoegd. Milieugevaarlijke stoffen moeten zodanig worden bewaard en gebezigd en werkzaamheden moeten zodanig worden uitgevoerd dat geen verontreiniging van de bodem op kan treden. Een en ander betekent dat de opslag van milieugevaarlijke stoffen boven een vloeistofdichte lekbak dan wel een vloeistofdichte vloer moet plaatsvinden en werkzaamheden waarbij de bodem verontreinigd kan worden boven een vloeistofdichte vloer moeten plaatsvinden. Een riolering voor de afvoer van afvalwater moet, met inbegrip van alle daarop aangesloten afvoerroosters, schrobputten en afscheiders en bijbehorende verbindingen en afsluiters vloeistofdicht zijn uitgevoerd. Onderdelen moeten blijvend vloeistofdicht op elkaar aansluiten. De gebruikte materialen moeten bestand zijn tegen het af te voeren afvalwater. Gemorste oliën, vetten en chemicaliën moeten terstond worden opgeruimd. Hiertoe moeten absorptiemateriaal en neutraliserende stoffen in voldoende mate en gebruiksgereed aanwezig zijn. Gebruikte absorptie- of neutralisatiemiddelen moeten worden bewaard en afgevoerd als gevaarlijk afval. Indien verontreiniging van de bodem en/of grondwater met stoffen, anders dan ten gevolge van een ongewoon voorval in de zin van de Wet bodembescherming (Stb. 1994, 374), optreedt of is opgetreden, dan wel vermoed, vanaf het moment dat de beschikking rechtskracht heeft, moet degene die de inrichting drijft deze verontreiniging terstond melden aan het bevoegde gezag. Bij verontreiniging van de bodem en/of grondwater, zoals bedoeld in het vorige voorschrift, dient degene die de inrichting drijft: al het nodige te ondernemen om verdere verontreiniging te voorkomen; de aard, de mate en de omvang van de verontreiniging op een door het bevoegde gezag goed te vinden wijze te bepalen; de opgetreden verontreiniging binnen een door bevoegd gezag te bepalen termijn ongedaan te maken; de verontreinigde grond en het grondwater overeenkomstig de aanwijzingen van het bevoegde gezag te behandelen en/of af te voeren naar een daartoe ingerichte opslagplaats of verwerkingsinrichting; eventuele objecten zoals bijvoorbeeld leidingen, buizen en kabels, die met de verontreinigende stoffen in aanraking zijn geweest, te controleren op aantasting en, indien nodig, te herstellen of te vervangen. 4 2. 3. 4. 5. 6. 7. Naam inrichting: maatschap Walraven-van Bree Adres inrichting: Molenveld 4a in Sinderen Bodem- en grondwateronderzoek 8. Indien bij het bevoegd gezag het vermoeden bestaat dat verontreinigingen zijn ontstaan of dat calamiteiten hebben plaatsgevonden, kan het bevoegd gezag degene die de inrichting drijft verplichten een bodem- en/of grondwateronderzoek uit te (laten) voeren. 3. 1. GELUIDHINDER Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr, LT) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de inrichting verrichte werkzaamheden, activiteiten en transportbewegingen mag ter plaatse van woningen van derden en andere geluidgevoelige bestemmingen niet meer bedragen: a. 40 dB(A) tussen 07.00 en 19.00 uur; b. 35 dB(A) tussen 19.00 en 23.00 uur; c. 30 dB(A) tussen 23.00 en 07.00 uur. Onverminderd het vorige voorschrift mag het maximale geluidniveau (LAmax) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, en door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten in de representatieve bedrijfssituatie, ter plaatse van geluidsgevoelige objecten niet meer bedragen dan: - 70 dB(A) op 1,5 hoogte in de uren gelegen tussen 06.00 en 19.00 uur; - 65 dB(A) op 1,5 hoogte in de uren gelegen tussen 19.00 en 22.00 uur; - 60 dB(A) op 5 hoogte in de uren gelegen tussen 22.00 en 06.00 uur. Indien controle op of berekening van de in deze voorschriften vastgelegde geluidniveaus plaats vindt moet dit geschieden overeenkomstig de "Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999". Ook de beoordeling van de meetresultaten moet overeenkomstig deze handleiding plaats vinden. De in de periode tussen 07.00 uur en 19.00 uur in voorschrift 3.2 opgenomen piekniveaus zijn niet van toepassing op het laden en lossen. Tijdens het verrichten van geluidsproducerende werkzaamheden in de gebouwen van de inrichting moeten ramen en deuren gesloten worden gehouden. De deuren mogen slechts voor het onmiddellijk doorlaten van personen en/of goederen zijn geopend. Deuren, ramen en luiken moeten goed sluitend zijn en in goede staat verkeren. Glaszettingen in deze deuren en ramen moeten bestaan uit hele ruiten. De motor van motorvoertuigen mogen niet langer in werking zijn dan voor het manoeuvreren en het op- en afrijden van het terrein noodzakelijk is. Het dichtslaan van portieren, laadkleppen e.d. dient tot een minimum beperkt te blijven. In de inrichting mogen slechts motorvoertuigen en andere apparaten/machines met een (verbrandings)motor in werking zijn, die zijn voorzien van een doelmatige en in goede staat verkerende geluiddemper en uitlaatsysteem. Gedurende het laden en lossen mogen de motoren van de voertuigen waarin wordt geladen of waaruit wordt gelost niet in werking zijn, tenzij dit noodzakelijk is ten behoeve van de laaden losapparatuur. Het personeel, inclusief chauffeurs dienen bekend te zijn met de voorschriften ter voorkoming van geluidsoverlast naar de omgeving. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. Naam inrichting: maatschap Walraven-van Bree Adres inrichting: Molenveld 4a in Sinderen 5 4. 1. ENERGIE- EN WATERBESPARING De vergunninghouder dient minimaal per jaar te registreren hoeveel energie (elektriciteit en gas) en water er in de inrichting verbruikt wordt. Dit kan plaatsvinden door de energienota's en de rekening van het waterbedrijf te bewaren. Indien uit de energie- en waterregistratie blijkt dat het verbruik om onverklaarbare reden is gestegen dient de vergunninghouder onverwijld te onderzoeken waar dit verhoogd verbruik aan te wijten is, resp. maatregelen te treffen om dit verhoogd verbruik te beëindigen. De vergunninghouder is gehouden die energie- en waterbesparingsmaatregelen te treffen die redelijkerwijs van haar verlangd kunnen worden. Bij renovatie/vervanging/nieuwbouw dient de vergunninghouder de voorzieningen/maatregelen te treffen die voldoen aan het principe "stand der techniek" (Best Beschikbare Techniek). Zo moeten o.a. de ventilatoren en verlichting energiezuinig uitgevoerd worden. In het kader van waterbesparing moeten de volgende werkzaamheden uitgevoerd worden: - het schoonmaken van de stallen en materieel met hoge drukreinigers; - regelmatig controleren van de drinkwaterinstallaties; - meten en bijhouden van watergebruik; - opsporen en repareren van lekkages. 2. 3. 4. 5. 1. VOORSCHRIFTEN MET BETREKKING TOT DE BOVENGRONDSE BRANDSTOFTANK Voor het opslaan van dieselolie in een bovengrondse tank zijn de paragrafen 1, 2, 3, 4.1, 4.2, 4.3, 4.4, 4.5 en 4.6 van de PGS 30 (voormalige richtlijn CPR 9-6 van de commissie Preventie van Rampen door gevaarlijke stoffen, getiteld Vloeibare aardolieproducten; opslag 3 tot 150 m van brandbare vloeistoffen met een vlampunt van 55 tot 100° in bovengrondse C tanks), van toepassing. Hiervan gelden de voorschriften 4.1.2, 4.1.5, 4.2.6, 4.2.10 en 4.3.1 niet voor een bovengrondse tank die opgericht voor 1 juni 1996. Een bovengrondse tank die is opgericht voor 1 juni 1996 waarvan: a. de eerste in gebruiksdatum onbekend is, en b. de tank niet is voorzien van een mangat, of een inspectieopening van ten minste 0,3 meter, wordt in afwijking van de voorschriften 4.5.2 en 4.512 van de PGS 30, uiterlijk 1 januari 2015 buiten gebruik gesteld. Handpomp 2. Een pomp moet zodanig zijn ingericht dat hetzij slechts gedurende een daartoe strekkende opzettelijke bediening van de vulafsluiter vloeistof uit de pomp kan stromen, hetzij levering van de vloeistof automatisch stopt als het reservoir waaraan wordt afgeleverd, vrijwel is gevuld. In het laatste geval moeten aan de vulafsluiter voorzieningen zijn getroffen, waardoor deze sluit bij een lichte schok, bijvoorbeeld ten gevolge van vallen. Indien geen toezicht wordt gehouden, moet een pomp zijn afgesloten zodat onbevoegden deze niet in werking kunnen stellen. Het afleveren van vloeistof is verboden, indien daarbij wordt gerookt of enigerlei vuur of open kunstlicht aanwezig is, of de motor van het voertuig, waaraan de vloeistof wordt afgeleverd, in werking is. Op of bij de pomp moet met duidelijke leesbare letters het opschrift zijn aangebracht; "VOERTUIGMOTOR AFZETTEN, ROKEN EN VUUR VERBODEN". Nabij een pomp moet een draagbare poederblusser aanwezig zijn met een inhoud van tenminste 6 kilogram. 6 3. 4. 5. 6. Naam inrichting: maatschap Walraven-van Bree Adres inrichting: Molenveld 4a in Sinderen 7. De afleverinstallatie, de pomp en de leidingen dienen goed te worden onderhouden. Het afleveren van motorbrandstoffen en het ophangen van de afleverslang dient zodanig te geschieden, dat geen verontreiniging van de bodem kan plaatsvinden. 6. 1. VOORSCHRIFTEN MET BETREKKING TOT DE (ONDERHOUDS)WERKPLAATS Oliën, vetten of hiermee verontreinigd water mogen niet van de vloer van de onderhoudswerkplaats naar buiten worden geveegd of geschrobd. Indien werkzaamheden worden verricht waarbij brandbare vloeistoffen worden gebezigd mag niet worden gerookt en mag geen open vuur aanwezig zijn. Onder het tot aftappen van vloeistoffen (anders dan water) gereedstaand vaatwerk moeten doelmatige lekbakken zijn geplaatst. Vaatwerk ten behoeve van de bewaring van afgewerkte olie, smeerolie en andere milieugevaarlijke stoffen moet zijn geplaatst in een vloeistofdichte bak van voldoende inhoud. Alvorens las- en snijwerkzaamheden te verrichten aan leidingen of tanks waarin ontplofbare of brandbare stoffen aanwezig waren, moet door een proef worden vastgesteld dat de leiding of tank "gasvrij" is. Binnen een straal van 10 meter van de snij- en laswerkzaamheden mogen zich geen licht ontvlambare materialen bevinden. De laskabelisolaties moeten regelmatig, doch tenminste éénmaal per maand, worden gecontroleerd op slijtage. De te verrichten werkzaamheden moeten zodanig zijn afgeschermd dat geen hinderlijke lichtstraling buiten de inrichting waarneembaar is. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 7. VOORSCHRIFTEN MET BETREKKING TOT DE VEEHOUDERIJ Algemene voorschriften 1. Ramen van stallen moeten, voor zover zij geen functie hebben voor de luchtverversing in de stal, gesloten worden gehouden; deuren moeten gesloten zijn behoudens gedurende het doorlaten van personen, dieren en/of goederen. Bedrijfsafvalwater, geen gier zijnde, moet via een gesloten bedrijfsriolering worden afgevoerd naar de mest- en gierkelder, een aparte opslagruimte of naar de gemeentelijke riolering. Medicijnen t.b.v. de veestapel moeten in een deugdelijk, afsluitbare kast worden opgeslagen. Reiniging- en ontsmettingsmiddelen moeten in een deugdelijke afsluitbare kast worden opgeslagen. De vloer van een stal moet mestdicht zijn uitgevoerd voor zover onder de vloer geen opslagruimte aanwezig is voor mest of gier. 2. 3. 4. 5. Naam inrichting: maatschap Walraven-van Bree Adres inrichting: Molenveld 4a in Sinderen 7 Bestrijdingsmiddelen 6. Bestrijdingsmiddelen moeten worden bewaard overeenkomstig de artikelen 8 t/m 12 van het Bestrijdingsmiddelenbesluit (Stb. 1964, 328). Opslag mest 7. 8. Bij het verwijderen van mest mag de omgeving niet worden verontreinigd. Het is in de inrichting verboden dierlijke meststoffen te drogen, te mengen, om te zetten of op enigerlei andere wijze te verwerken, anders dan ten behoeve van de normale bemestingspraktijk. Droge pluimveemest moet na de verwijdering uit de stal worden bewaard in mestcontainers, die binnen 14 dagen moeten worden afgevoerd buiten de inrichting. Containers voor de opslag van droge pluimveemest moeten zijn voorzien van een mestdichte bodem en wanden. Containers moeten behoudens tijdens het bijstorten worden afgedekt zodat geen hemelwater in de mest terecht kan komen. Opslag veevoer 12. Het voer, moet in uitsluitend daarvoor bestemde, tegen ongedierte afgesloten, opslagplaatsen worden bewaard. Het vullen van silo's uit de bulkwagen moet zodanig geschieden, dat voor de omgeving hinderlijke stofverspreiding wordt voorkomen. Het via de ontluchting ontwijkende stof moet worden opgevangen in een doeltreffende stofzak. Het in het stoffilter achtergehouden product moet zonder zich te kunnen verspreiden worden verzameld en worden bewaard in een goed gesloten doelmatige verpakking dan wel in door middel van goed sluitende deksels afgesloten containers. Alvorens met het vullen van de silo wordt begonnen, moet worden gecontroleerd of verbindingen tussen de aanvoerende auto en de silo stofdicht zijn en/of de ontluchting van de silo naar behoren functioneert. Voorzieningen moeten zijn getroffen om de vul/losslang te kunnen laten leegstromen alvorens de slang wordt ontkoppeld. Het vullen van de silo's mag slechts pneumatisch geschieden. De silo's moeten zijn voorzien van een overvulbeveiliging. De slangen, welke worden gebruikt voor het vullen van de silo's vanuit de bulkauto(`s), moeten bestand zijn tegen maximale persdruk. Het houden van dieren 20. In de inrichting mogen gelijktijdig niet meer dieren gehouden worden dan de aantallen, vermeld in de tot de vergunning behorende bescheiden. De stallen genoemd in het vorige voorschrift moeten worden uitgevoerd volgens de bij de vergunning behorende tekeningen en bijlagen, tenzij anders in de voorschriften staat aangegeven. 9. 10. 11. 13. 14. 15. 16. 17. 18. 19. 21. Naam inrichting: maatschap Walraven-van Bree Adres inrichting: Molenveld 4a in Sinderen 8 22. Bewijzen dat de in voorschrift 7.20 bedoelde aantallen niet worden overschreden, zoals landbouwtellingen en boekhoudkundige gegevens, moeten te allen tijde op verzoek van een controlerend ambtenaar worden getoond. Kadavers 23. Kadavers van dieren en afvalstoffen van dierlijke aard mogen niet op het terrein van de inrichting worden begraven. Zij dienen, in afwachting van afvoer uit de inrichting naar een daartoe ingerichte verwerkingsinrichting, te worden bewaard in een deugdelijke, waterdichte verpakking of in een goed gesloten speciaal daartoe bestemde ruimte, zodanig dat stankverspreiding buiten de inrichting wordt voorkomen. De verpakking of de ruimte waarin kadavers worden bewaard moet regelmatig worden schoongemaakt en ontsmet om stankverspreiding te voorkomen. 24. 8. 1. VOORSCHRIFTEN MET BETREKKING TOT GROEN LABELSYSTEMEN De stallen, zoals aangegeven op de bij de vergunning behorende tekening, dienen te worden uitgevoerd, onderhouden, gebruikt en op de goede werking te worden gecontroleerd conform de eisen zoals deze in de leaflet is gesteld. De leaflet welke bij de aanvraag is gevoegd maakt onderdeel uit van deze vergunning. De resultaten van de controles en uitgevoerde onderhouds- of aanpassingswerkzaamheden moeten worden vastgelegd in het milieulogboek. 2. 9. 1. MILIEULOGBOEK Er dient een milieulogboek te worden bijgehouden, waarin vanaf het van kracht worden van de beschikking, regelmatig alle milieurelevante gegevens en handelingen worden aangetekend. Het milieulogboek dient in de inrichting aanwezig te zijn en dient ten allen tijde beschikbaar te zijn voor inzage door een toezichthoudend ambtenaar van de gemeente. In het milieulogboek dienen tenminste de volgende zaken te worden opgenomen: een exemplaar van de vigerende omgevingsvergunning(en) en bijbehorende voorschriften; registratie van energie en waterverbruik; datum en tijdstip van voorgevallen milieu-incidenten (waaronder branden e.d.), met vermelding van de genomen maatregelen; vereiste installatie- en keuringscertificaten; onderhoudscontracten met betrekking tot in de inrichting aanwezige voorzieningen en installaties; Alle schriftelijke documenten in het milieulogboek dienen tenminste 5 jaar binnen de inrichting bewaard te worden. 2. 3. 4. Naam inrichting: maatschap Walraven-van Bree Adres inrichting: Molenveld 4a in Sinderen 9 10. 1. NAZORGVERPLICHTING Ter bescherming van het milieu blijven de aan deze vergunning verbonden voorschriften 1.2.2, 1.3.1, 1.3.2, 2.2 t/m 2.8, 9.1 t/m 9.4 en 10.1 t/m 10.5 tenminste 5 jaar nadat deze vergunning haar geldigheid heeft verloren onverminderd van kracht. Bij de toepassing van dit voorschrift wordt onder "degene die de inrichting drijft" ook begrepen degene die de inrichting als laatste heeft gedreven. Dit voorschrift geldt niet indien deze vergunning haar geldigheid verliest vanwege het van kracht worden van een nieuwe milieubeheervergunning. Onder de in het vorige voorschrift genoemde zinsnede "aan deze vergunning verbonden voorschriften" dient tevens te worden verstaan "voorschriften die aan de vergunning verbonden zijn geweest". Zodra degene die de inrichting drijft, de inrichting of een deel hiervan overdraagt aan een ander natuurlijk persoon c.q. rechtspersoon, dient dit terstond aan burgemeester en wethouders van de gemeente Oude IJsselstreek te worden gemeld. Bij een omstandigheid als bedoeld in voorschrift 10.1, 10.3 of bij een bedrijfsbeëindiging, een beëindiging van een bodembedreigende activiteit, of een bedrijfsovername/overdracht dienen: · de bodem inclusief het grondwater onder de inrichting te worden onderzocht door of onder toezicht van een onafhankelijke deskundige (zogenaamd bodem-eindonderzoek). De opdracht hiertoe moet uiterlijk binnen 14 dagen nadat burgemeester en wethouders dit onderzoek eisen, zijn verstrekt. Het onderhavige onderzoek dient tenminste te voldoen aan de eisen die zijn neergelegd in NEN 5740, NVN 5725 en de hierin vermelde geheel of gedeeltelijk van toepassing zijnde normen. Over de wijze waarop het onderhavige onderzoek wordt uitgevoerd dient vooraf overleg plaats te vinden met burgemeester en wethouders van de Oude IJsselstreek. De resultaten van het onderhavige onderzoek dienen zo spoedig mogelijk te worden overgelegd aan burgemeester en wethouders van de Oude IJsselstreek. Indien in dit nazorgonderzoek een zodanige verontreiniging wordt aangetroffen dat, de bodem gesaneerd moet worden en de bodemverontreiniging de vergunninghouder, gelet op het vastgestelde referentieniveau aangerekend kan worden, dient de vergunninghouder terstond te handelen overeenkomstig de voorschriften 2.6 en 2.7 Een eventuele sanering dient voor uitvoering te worden goedgekeurd door de bevoegde instanties. Indien de gemeente Oude IJsselstreek niet tot die instanties behoort, dient de vergunninghouder de gemeente Oude IJsselstreek regelmatig te informeren over de stand van zaken. Na beëindiging van de sanering dient binnen één maand na de ontvangst van het evaluatierapport een exemplaar aan het bevoegd gezag te worden overlegd; de binnen de inrichting (nog) aanwezige afvalstoffen en stoffen die om welke reden dan ook niet (meer) worden toegepast moeten binnen een door burgemeester en wethouders van de Oude IJsselstreek te bepalen termijn overeenkomstig de wettelijke bepalingen uit de inrichting zijn verwijderd; de binnen de inrichting (nog) aanwezige installaties en/of toebehoren die om welke reden dan ook niet (meer) worden toegepast moeten binnen een door burgemeester en wethouders van de Oude IJsselstreek te bepalen termijn overeenkomstig de wettelijke bepalingen uit de inrichting zijn verwijderd. 2. 3. 4. · · 5. Voorafgaand aan een beëindiging van de bedrijfsactiviteiten dienen ten minste alle roerende zaken, zoals grond- en hulpstoffen, te worden afgevoerd naar een bedrijf die de stoffen (nuttig) kan toepassen. Naam inrichting: maatschap Walraven-van Bree Adres inrichting: Molenveld 4a in Sinderen 10 11. BEGRIPPENLIJST. In de bij deze vergunning behorende voorschriften wordt verstaan onder: Bedrijfsriolering: Voorziening voor de afvoer van bedrijfsafvalwater vanuit de inrichting naar een openbaar riool of een andere voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater; Bevoegd gezag: Burgermeester en wethouders dan wel de afdeling milieuzaken van de gemeente Oude Ijsselstreek; Brandwerendheid van bouwdelen: De tijd uitgedrukt in minuten, gedurende welke enig bouwkundig onderdeel van een gebouw, niet zijnde een deur-, luik- of raamconstructie, zijn functie moet kunnen blijven vervullen bij verhitting, bepaald volgens NEN 3884; Brandwerendheid van deur-, luik- en raamconstructies: De tijd uitgedrukt in minuten, gedurende welke deur-, luik- en raamconstructies weerstand bieden tegen bezwijken en vlamdicht blijven in geval van brand, bepaald volgens NEN 3885; CPR 9-6: Richtlijn 9-6 van de CPR (Commissie Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen) getiteld "Vloeibare aardolieproducten (opslag tot 150 m³ van brandbare vloeistoffen met een vlampunt van 55 tot 100° in bovengrondse tanks) tweede druk uitgave 1999. C CPR 15-1: De richtlijn "Opslag Gevaarlijke Stoffen in emballage opslag van vloeistoffen en vaste stoffen (0-10 ton)", opgesteld door de Commissie Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen en uitgegeven door het Directoraat-Generaal van de Arbeid van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (2de druk 1990); Draagbaar blustoestel: Toestellen die voldoen aan het "Besluit Draagbare Blustoestellen 1986" (Staatsblad 1986, 553); Geluidgevoelige bestemmingen: Scholen, ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere gezondheidszorg gebouwen. Geluidsniveau in dB(A): Het niveau van het ter plaatse optredende geluid, uitgedrukt in dB(A), overeenkomstig de door de Internationale Elektrotechnische Commissie (IEC) ter zake opgestelde regels, zoals neergelegd in de IEC-publicatie no. 651; GIVEG: Keurmerk van de Gezamenlijke Installatiebedrijven van Elektrische en Gasinstallaties uitgegeven door het VEG-GASINSTITUUT N.V. te Apeldoorn; KVGN: Koninklijke Vereniging van Gasleveranciers in Nederland; K1-Vloeistof: Een brandbare vloeistof waarvan het vlampunt lager is dan 21 graden Celsius, bepaald volgens NEN 3204, en die bij 37,8 graden Celsius een dampspanning heeft van tenminste 35 kPa en ten hoogste 100 kPa, bepaald volgens NEN 928, of een verfproduct waarvan het vlampunt lager is dan 21 graden Celsius, bepaald volgens NEN-EN 53; K2-Vloeistof: Een brandbare vloeistof waarvan het vlampunt 21 graden Celsius of hoger is, doch lager is dan 55 graden Celsius, bepaald volgens NEN 3204, of een verfproduct waarvan het vlampunt 21 graden Celsius of hoger is, doch lager dan 55 graden Celsius, bepaald volgens NEN-EN 53; K3-Vloeistof: Een brandbare vloeistof waarvan het vlampunt 55 graden Celsius of hoger is, bepaald volgens NEN-ISO 2719, of een verfproduct waarvan het vlampunt 55 graden Celsius of hoger is, bepaald volgens NEN-EN 53; KIWA: Het Keuringsinstituut voor Waterleidingartikelen; Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr, LT): Energetisch sommatie van de langtijdgemiddeld deelbeoordelingsniveaus. De methode van de berekening van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau is omschreven in de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai 1999. Lekbak constructie: Een vloeistofdichte vloer die te samen met aanwezige drempels en muren een vloeistofdichte bak vormt dan wel een apart gecreëerde vloeistofdichte bak van steen, beton, staal of kunststof-materiaal; de lekbakconstructie moet bestand zijn tegen de als gevolg van lekkage optredende plotselinge vloeistofdruk alsmede de inwerking van de opgeslagen vloeistoffen en een inhoud hebben tenminste gelijk aan de totale hoeveelheid erin opgeslagen vloeistoffen; de lekbakconstructie dient inpandig te zijn, dan wel in de openlucht voorzien van een afdak voor de wering van hemelwater; Mestdichte vloer: Een vloer met een mestdichtheid overeenkomstig de handleiding bij de bouwtechnische richtlijnen mestbassins (HBRM 1991), IMAG-DLO/CUR, 1991; NEN: Een door het Nederlandse Normalisatie Instituut (NNI) uitgegeven norm; Naam inrichting: maatschap Walraven-van Bree Adres inrichting: Molenveld 4a in Sinderen 11 NEN 1010: De Nederlandse norm NEN 1010 "Veiligheidsvoorschriften voor laagspanningsinstallaties"; NEN 1078: De Nederlandse norm NEN 1078 "Voorschriften voor aardgasinstallaties" GAVO 1987. Deel 1; NEN 2559: De Nederlandse norm NEN 2559 "Controle en onderhoud van draagbare blustoestellen"; NEN 3125: De Nederlandse norm NEN 3125 "Elektrisch materiaal voor plaatsen waar ontploffingsgevaar kan heersen. Hermetisch-dichte omhulsels en niet-vonkende constructies `N' (uitgave 1980); NEN 3410: De Nederlandse norm NEN 3410 "Veiligheidsbepalingen voor hoog- en laagspanningsinstallaties in ruimten met gasontploffingsgevaar (uitgave 1987 met correctieblad november 1980)"; NEN 3881: De Nederlandse norm NEN 3881 " Bepaling van de onbrandbaarheid van bouwmaterialen (1975)"; NEN 3884: De Nederlandse norm NEN 3884 "Bepaling van brandwerendheid van bouwdelen (1978)"; NEN 3885: De Nederlandse norm NEN 3885 " Bepaling van de brandwerendheid van deur-, luik- en raamconstructies van gebouwen (1982)"; NEN-EN: Een door het Comité Europeen de Normalisation opgestelde en door het Nederlands Normalisatie Instituut (NNI) als Nederlandse norm aanvaarde en uitgegeven norm; NEN-ISO: Een door de International Organization for Standardization opgestelde en door het Nederlandse Normalisatie Instituut (NNI) als Nederlandse norm aanvaarde en uitgegeven norm; NER-lucht: Nederlandse Emissie Richtlijnen bedoelt voor alle vergunningverlenende instanties in Nederland; de concentratie eisen voor verschillende stoffen gelden als bovengrens voor te onderscheiden puntbronnen en zijn afhankelijk van de massastroom; Onbrandbaar: Het onbrandbaar zijn overeenkomstig het bepaalde in NEN 3881, uitgave 1975; Openbaar riool: Gemeentelijke voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater; Piekgeluidniveai: Het maximaal te meten A-gewogen geluidsniveau, meterstand "fast" gecorrigeerd met de meteocorrectieterm Cm. PGS 15: Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 van 28 juni 2005. Richtlijn voor brandveiligheid, arbeidsveiligheid en milieuveiligheid voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen. Riolering: Bedrijfsriolering of voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater; VEGIN: Verreniging van expoitanten van Gasbedrijven in Nederland. Vloeistofdichte vloer: Vloer direct op de bodem, die waarborgt dat geen vloeistof aan de niet met vloeistof belaste zijde van die vloer kan komen; Vloeistofdichte voorziening: Fysieke voorziening in of direct op de bodem, niet zijnde een vloer, die waarborgt dat geen vloeistof aan de niet met vloeistof belaste zijde van die voorziening kan komen. Vloeistofkerende vloer: Een vloer die in staat is vrijgekomen stoffen tijdelijk zolang te keren dat die kunnen worden opgeruimd voordat indringing in de bodem kan plaatsvinden. Vloeistofdichte lekbak: Een niet bouwkundige vloeistofdichte voorziening waarvoor geen PBV-Verklaring vloeistofdichte voorziening kan worden afgegeven. Woning van derden: Een gebouw of een deel van een gebouw dat voor bewoning is bestemd en feitelijk hiervoor gebuikt wordt met uitzondering van woning(en) behorend tot de inrichting. Voor zover een DIN-, NEN-EN of NEN-ISO-norm, waarnaar in een voorschrift verwezen wordt, betrekking heeft op de uitvoering van constructies, toestellen en apparaten, wordt bedoeld de voor de datum, waarop deze vergunning van kracht geworden is, laatst uitgegeven norm met de daarop tot die datum uitgegeven aanvullingen of correctiebladen dan wel voor zover het op voornoemde datum reeds bestaande constructies, toestellen en apparaten betreft de norm die bij de aanleg c.q. installatie van die constructies, toestellen en apparaten is toegepast, tenzij in het voorschrift anders is bepaald. Naam inrichting: maatschap Walraven-van Bree Adres inrichting: Molenveld 4a in Sinderen 12
http://gemeente.oude-ijsselstreek.n...r/walraven_ontwerpvoorschriften.pdfResultaat 7 - walraven ontwerpbeschikking.pdf application/pdf
Ontwerpbesluit Omgevingsvergunning Burgemeester en wethouders van de gemeente Oude IJsselstreek; Op 9 december 2011 is een aanvraag ontvangen van maatschap Walraven- van Bree, Molenveld 4a 7065 BV in SNDEREN om een omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het betreft een aanvraag om een veranderingsvergunning voor de activiteit Milieuverantwoord ondernemen als bedoeld in artikel 2.6 Wabo (revisievergunning). De inrichting ligt aan de Molenveld 4a, 7065 BV in SINDEREN, kadastraal bekend gemeente Varsseveld, sectie B, nummers 6085, 6244 en 6245. Overwegingen: Aanvraag De aanvraag betreft een vergunning voor het veranderen van de inrichting. De onderhavige aanvraag heeft o.a. betrekking op het omschakelen van het houden van ouderdieren van vleeskalkoenen naar het houden van opfokhennen voor legrassen. Ontvankelijkheid De op 9 december 2011 ingekomen aanvraag is op 24 januari 2012 aangevuld. In de aanvulling zijn de aan- en afvoerbewegingen aangepast. Er vinden in de nieuwe situatie geen aan- en afvoerbewegingen in de avond en nacht plaats. De aanvraag voldoet aan paragraaf 4.2 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) en paragraaf 4.2 Ministeriele regeling omgevingsrecht (Mor) gestelde eisen. De aanvraag bevat voldoende gegevens en bescheiden voor de beoordeling van de aanvraag en de voorbereiding van de beschikking zodat de aanvraag in behandeling is genomen (art. 4:5 Awb). Vigerende vergunning Voor de inrichting is op 24 februari 1998 voor de activiteit milieuverantwoord ondernemen een omgevingsvergunning op grond van de Wabo verleend (voorheen een nieuwe, de gehele inrichting omvattende vergunning op grond van de Wet milieubeheer). Op 27 februari 2000 en 14 maart 2004 is deze vergunning op grond van artikel 8.19 wet milieubeheer gewijzigd. Activiteitenbesluit Op 1 januari 2008 is het Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer (het Activiteitenbesluit) in werking getreden. Onder het nieuwe Besluit bestaat een 3-tal types inrichtingen (A,B en C). Type Ainrichtingen zijn niet meldingsplichtig maar moeten wel aan de regels uit het Besluit voldoen. Type Binrichtingen zijn meldingsplichtig en type C-inrichtingen zijn over het algemeen vergunningplichtig. De inrichting valt onder de vergunningplicht (type C) omdat het een landbouwinrichting is waarop het Besluit Landbouw niet van toepassing is (> dan 50 mve). Voor de inrichting gelden naast de voorschriften uit deze vergunning de voorschriften die zijn genoemd in artikel 1.4 lid 3 van het Activiteitenbesluit. Naam inrichting: maatschap Walraven-van Bree Adres inrichting: Molenveld 4 in Sinderen 1 Procedure De procedure is overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 3.3 van de Wabo en afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht uitgevoerd. Onlosmakelijke samenhang De aangevraagde verandering van de inrichting heeft alleen betrekking op de activiteit milieuverantwoord ondernemen. Er is zover kan worden overzien geen onlosmakelijke samenhang met andere categorieën van activiteiten waarvoor op grond van artikel 2.7 van de Wabo de aanvraag aangevuld moet worden. Aanhakende samenhang Op grond van artikel 2.27, 1 lid van de Wabo dient het college van Gedeputeerde Staten in sommige gevallen een `verklaring van geen bedenkingen' (vvgb) af te geven vanwege natuurbescherming, voordat de omgevingsvergunning kan worden verleend. Deze verklaring is nodig als de verandering van de bedrijfsvoering negatieve effecten heeft op instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden binnen het invloedsgebied. Een verklaring als hierboven genoemd is bij deze beschikking niet nodig omdat de inrichtinghouder al een aanvraag op grond van artikel 19d van de Natuurbeschermingswet bij Gedeputeerde Staten heeft ingediend. Waterwet Op 22 december 2009 is de Waterwet van kracht geworden. De Waterwet regelt o.a. het beheer van oppervlaktewateren. In de Waterwet is bepaald dat lozingen in het oppervlaktewater slechts zijn toegestaan indien daar een vergunning voor is verleend. Vanuit de inrichting vinden geen lozingen plaats waarvoor een vergunning krachtens de Waterwet moet worden aangevraagd. Bestemmingsplan / reconstructieplan De gemeente Oude IJsselstreek is gelegen in het reconstructiegebied Achterhoek en Liemers waarvoor een reconstructieplan is vastgesteld, goedgekeurd en bekendgemaakt. De onderhavige inrichting is op basis van dit plan gelegen in een verwevingsgebied. De inrichting is gelegen op een terrein dat op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan Buitengebied Wisch 2004, welke op 16 december 2004 is vastgesteld, is bestemd tot agrarisch bouwperceel. In de directe omgeving van de inrichting zijn geen wezenlijke bestemmingsveranderingen of andere toekomstige ontwikkelingen te verwachten. Besluit mer Op 1 juli 2010 is een wijziging van Besluit milieu-effectrapportage 1994 (MER-Besluit) in werking getreden (Staatsblad 184, 2010). Vanaf deze datum heet dit besluit "Besluit milieueffectrapportage". In de wijziging van 1 april 2011 (Staatsblad 102, 2011) zijn o.a. gewijzigde drempelwaarden opgenomen. In dit besluit zijn drempelwaarden opgenomen voor het verplicht uitvoeren van een MER-beoordeling, wanneer een veehouderij wordt opgericht of wanneer een bestaande veehouderij wijzigt of uitgebreid. Een MERbeoordelingsplicht geldt o.a. bij uitbreiding van een veehouderij met meer dan : 40.000 plaatsen voor pluimvee: 2000 plaatsen voor vleesvarkens; 750 plaatsen voor zeugen; 2700 gespeende biggen. e Naam inrichting: maatschap Walraven-van Bree Adres inrichting: Molenveld 4 in Sinderen 2 Voor de uitbreiding van de inrichting met 52.000 stuks opfokhennen wordt bovengenoemde drempelwaarde voor pluimvee overschreden en is het noodzakelijk een Mer-beoordeling uit te voeren. Hiervoor is op 15 september 2011 een aanmeldingsnotitie ingediend. MER-beoordeling In de aanmeldingsnotitie van 15 september 2011 staan diverse aspecten omschreven met betrekking tot de wijziging van de veehouderij. De activiteiten en de milieugevolgen van de inrichting zijn goed in beeld gebracht. Na beoordeling van de notitie blijkt dat de wijziging van de inrichting geen aanleiding geeft te veronderstellen dat er sprake is van een bijzondere omstandigheid die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zal hebben. Een MER is derhalve ons inziens niet noodzakelijk. De aanmeldingsnotitie en de beschikking van 13 oktober 2011 zijn bij de aanvraag gevoegd. IPPC-richtlijn De Richtlijn 96/61/EG VAN DE RAAD van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging beoogt een geïntegreerde preventie en beperking van verontreiniging door industriële activiteiten tot stand te brengen. De richtlijn is ook van toepassing op grote intensieve varkensen pluimveehouderijen. Een IPPC toets geldt o.a. voor het oprichten of bij uitbreiding van een veehouderij met meer dan : 40.000 plaatsen voor pluimvee; 2.000 plaatsen voor vleesvarkens; 750 plaatsen voor zeugen. Met de gevraagde vergunning worden de drempelwaarden overschreden. De IPPC Richtlijn is op deze inrichting van toepassing. De IPPC-richtlijn is geïmplementeerd in de Wabo (art. 2.14, 2.22 lid 3), de Waterwet en het Besluit Huisvesting. Voor de agrarische bedrijven gelden naast de Wabo onder meer de Wet ammoniak en veehouderij en de Wet geurhinder en veehouderij als toetsingskader voor de beoordeling van de uitstoot van ammoniak en stank vanuit dierenverblijven. e Op grond van artikel 5.4, 2 lid van de Bor dient de aanvraag te worden getoetst aan bijlage 1 van de Mor (aanwijzing BBT-documenten). De Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij, de BREF intensieve pluimvee- en varkenshouderij en de oplegnotie BREF Intensieve pluimvee- en varkenshouderij zijn in deze bijlage opgenomen. Hiermee is de juridische status van deze documenten vastgelegd. Door de geldende wet en regelgeving te toetsen zal er tevens voldoende getoetst worden aan de IPPC-richtlijn. Toetsing aan deze regelgeving vindt hieronder plaats. Wetgeving - ammoniak Wet ammoniak en veehouderij (Wav) Bij besluit van 26 april 2002 is bepaald dat de Wet ammoniak en veehouderij, zoals gepubliceerd in Staatsblad 93 van 21 februari 2002, met ingang van 8 mei 2002 in werking treedt. Bij besluit van 17 februari 2007 (staatsblad 103) is deze wet gewijzigd. Deze wijziging is op 1 mei 2007 (staatsblad 156) in werking getreden. De Wav is bepalend als het gaat om de ammoniakemissie uit dierenverblijven van veehouderijen. Regeling ammoniak en veehouderij (Rav) De gebruikte emissiefactoren zijn gebaseerd op de gewijzigde Regeling ammoniak en veehouderij, zoals gepubliceerd op 18 oktober 2011 in de Staatscourant (nummer 18726) en in werking getreden op 19 oktober 2011. De Rav is een ministeriele regeling waarin de verschillende emissiefactoren zijn opgenomen. Aan de hand hiervan is de totale ammoniakemissie berekend. Naam inrichting: maatschap Walraven-van Bree Adres inrichting: Molenveld 4 in Sinderen 3 Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij Op 27 maart 2007 is in Staatscourant 61 gepubliceerd het Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij (interne saldering). Op 10 januari is in Staatsblad 2008, nr. 6 het definitieve wijzigingsbesluit gepubliceerd. De wijzigingen betreffen het mogelijk maken van het zgn. Intern Salderen, het vervallen van de datum 30 oktober 2007 en het stellen van strengere emissiewaarden. Op 1 april 2008 is het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij, inclusief wijziging, in werking getreden. In het Besluit Huisvesting is invulling gegeven aan het emissiebeleid in Nederland. Het Besluit bepaalt in artikel 2 lid 1 dat geen huisvestingssystemen zal worden toegepast met een hogere emissiefactor dan in bijlage I is aangegeven de zgn. maximale emissiewaarden. De maximale emissiewaarde per dierplaats per jaar is voor opfokhennen van legrassen niet vastgesteld. Dit betekent dat ieder huisvestingssysteem voor deze diercategorie als beste beschikbare techniek kan worden beschouwd. Ecologische Hoofstructuur (EHS) De Wav beschermt het milieu tegen de ammoniakuitstoot van veehouderijen. De Wav kent twee regimes: 1. De zeer kwetsbare gebieden (EHS) en de zone van 250 meter hieromheen en 2. De rest van Nederland. De Wav beschermd de zeer kwetsbare gebieden die door de Provincie is aangewezen. De inrichting ligt niet in de 250 meter zone van een gebied dat is aangewezen in de Ecologisch Hoofdstructuur (EHS). Best Beschikbare Techniek (BBT) In de Wabo is opgenomen dat voldaan moet worden aan de beste beschikbare technieken (BBT). Dit geldt zowel voor bedrijven die onder de IPPC-richtlijn vallen als bedrijven die daar niet onder vallen. Bij het bepalen van BBT wordt hierbij ondermeer getoetst aan artikel 5.4 van de Bor en bijlage 1 van de Mor. · In artikel 5.4 van de Bor is opgenomen wat onder BBT wordt verstaan. Het bevoegd gezag moet rekening houden met voorzienbare kosten en baten van maatregelen en daarnaast in de BBTafweging betrekken, onder meer: (f) de aard, de effecten en de omvang van de betrokken emissies, (g) de data waarop de installaties in de inrichting in gebruik zijn of worden genomen, (h) de tijd die nodig is om een betere techniek toe te gaan passen. In bijlage 1 van de Mor zijn documenten opgenomen waarmee bij de bepaling van BBT bij IPPC inrichtingen rekening moet worden gehouden dit zijn de zgn. BREF documenten. Dit zijn de volgende informatiedocumenten: - BREF intensieve pluimvee- en varkenshouderij; - Oplegnotitie BREF intensieve pluimvee- en varkenshouderij; - Beleidslijn IPPC-omgevingstoets ammoniak en veehouderij · Artikelen Wav Ingevolge artikel 3, 1 lid, van de Wet ammoniak en veehouderij betrekt het bevoegd gezag bij beslissingen inzake de vergunning voor de oprichting of verandering van een veehouderij de gevolgen van ammoniakemissie uit de tot de veehouderij behorende dierenverblijven op de wijze die is aangegeven bij of krachtens de artikelen 4 tot en met 7. Artikel 3, 2 lid: Directe ammoniakschade wordt getoetst aan de hand van het Rapport Stallucht en Planten 1981. In de praktijk vindt deze schade voornamelijk plaats bij coniferen en fruitbomen gelegen nabij met name varkens- of kippenstallen. Rondom de inrichting bevinden zich, behalve een extensieve veehouder, weilanden en akkerbouwpercelen, waarop zich geen fruitbomen, coniferen of andere gevoelige gewassen bevinden die getoetst moet worden aan het Rapport. e e Naam inrichting: maatschap Walraven-van Bree Adres inrichting: Molenveld 4 in Sinderen 4 Ingevolge artikel 3, 3 lid van deze wet moet voor het stellen van voorschriften, de aanvraag tevens de de getoetst worden aan de artikelen 2.22, 2 en 3 lid Wabo of art. 1.3c of 8.40 van de Wet milieubeheer en moet voor het weigeren van de vergunning de aanvraag getoetst worden aan artikel 2.14 van de Wabo. Daarbij geldt, dat de vergunningverlening wordt beoordeeld naar de overeenstemming van de som van de ammoniakemissies uit de tot de inrichting behorende dierenverblijven met de som van de ammoniakemissies die zijn toegestaan bij een beoordeling per afzonderlijk huisvestingssysteem, met dien verstande dat een huisvestingssysteem dat op 1 januari 2007 nog niet in de veehouderij aanwezig was, afzonderlijk aan de voorschriften voldoet. (zie toets - BBT) Artikel 4/5/6/7 is niet van toepassing aangezien de inrichting niet is gelegen in de 250 zone van een zeer kwetsbaar gebied. e Zeer kwetsbare gebieden De Wav is op 1 mei 2007 gewijzigd. De wijziging houdt onder andere in dat het begrip kwetsbaar gebied is vervallen. Hiervoor in de plaats staat in art. 2 dat Provinciale Staten gebieden aanwijst die als zeer kwetsbaar worden aangemerkt. Daarbij wordt in lid 2 aangegeven dat alleen voor verzuring gevoelige gebieden die zijn gelegen in de ecologische hoofdstructuur als zeer kwetsbaar gebied kunnen worden aangewezen. Op 1 juli 2009 hebben Provinciale Staten van Gelderland de zeer kwetsbare gebieden in een besluit vastgesteld. Op 23 november 2009 heeft de minister hieraan goedkeuring verleend. Het dichtstbijzijnde gebied dat op grond van de Wav bescherming behoeft is De Vennebulten op circa 4400 meter. De afstand blijft met het verlenen van deze milieuvergunning gelijk. Vergunde rechten Op grond van de verleende vergunningen mogen de in de onderstaande tabel genoemde dieraantallen per diersoort gehouden worden. In de onderstaande tabel zijn tevens de bijbehorende emissiefactoren volgens de diercategorieën van de Regeling ammoniak en veehouderij en de berekende ammoniakemissie vermeld. tabel 1 berekening vergunde rechten diersoort kalkoenen; F3.100 Paarden > 3 jaar; K1 Totalen aantal 4632 1 emissie/dier 0,590 5,000 emissie totaal 2732,88 5,00 2737,88 De aanvraag In de onderstaande tabel staan de dieraantallen die per diersoort gehouden mogen worden nadat de vergunning onherroepelijk is geworden. In de onderstaande tabel zijn tevens de bijbehorende emissiefactoren volgens de diercategorieën van de Regeling ammoniak en veehouderij, de maximale emissie waarden en de berekende en toegestane ammoniak emissie vermeld. ta be l 2 be re ke ning a a nge vra a gde re chte n Max. emissie diersoort opfokhennen; E1.8.1 Totalen aantal 52000 em issie/dier em issie totaal em issie toegestaan totaal toegestaan 0,050 2600,00 2600,00 0,170 8840,00 8840,00 Naam inrichting: maatschap Walraven-van Bree Adres inrichting: Molenveld 4 in Sinderen 5 De inrichting ligt buiten de zone van 250 meter om een kwetsbaar gebied. De wijzigingen in de stallen worden beschouwd als de best beschikbare techniek (BBT). De inrichting voldoet daarmee aan de gestelde emissie eisen waardoor de vergunning op grond van de Wav verleend kan worden voor de gevraagde bedrijfsomvang. Toets Best beschikbare technieken (BBT) Om vast te stellen wat BBT is bij veehouderijen worden de BREF's gebruikt. De BREF's zijn BBT referentiedocumenten. De BREF is een van de bronnen waarmee bij vaststelling van BBT rekening moet worden gehouden. De BREF wordt gebruikt bij IPPC inrichtingen maar kunnen ook worden gebruikt als hulpmiddel bij niet- IPPC inrichtingen. De oplegnotitie van Infomil, 30 juli 2007, geeft aan hoe hier mee om te gaan. Dit document dient als referentiekader en richt zich met name op het aspect ammoniak. In de BREF is zoals gezegd ammoniak de overheersende factor maar wordt er ook rekening gehouden met de emissies van geur, stof, energiegebruik, grondwater en afvalwater. Huisvestingsysteem E1.8.1 (BWL 2005.02.V1) Dit systeem wordt beschouwd als BBT. Op basis van de beleidslijn IPPC-omgevingstoets ammoniak en veehouderij kan het bevoegd gezag maatregelen eisen om de ammoniakemissie te reduceren indien de ammoniakemissie meer bedraagt dan 5.000 kg. De ammoniakemissie na wijziging bedraagt 2600 kg. Aangezien de emissie van ammoniak minder bedraagt dan 5000 kg achten wij het eisen van aanvullende maatregelen om de ammoniakemissie te reduceren niet redelijk. Gelet op vorenstaande, kan de aangevraagde vergunning op grond van artikel 2.14, van de Wabo juncto artikel 3, derde lid, van de Wav worden verleend voor de gevraagde bedrijfsomvang. Geurhinder Algemeen Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) in werking getreden. Deze wet stelt regels met betrekking tot beslissingen inzake vergunningen krachtens de Wabo voor veehouderijen, Voor zover het betreft geurhinder vanwege tot die veehouderijen behorende dierenverblijven. Een tekstuele wijziging op de Wgv is gepubliceerd op 12 juni 2008 (Staatsblad 197). Naast de Wet geurhinder en veehouderij is gelijktijdig de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) d.d. 18 december 2006 in werking getreden. In deze Regeling zijn de geuremissie factoren en minimumafstanden vastgesteld en geeft de wijze van omrekening naar geurbelasting en de wijze van afstandsbepaling. Op 30 juni 2010 is de wijziging van de Regeling Geurhinder en Veehouderij in werking getreden. Dit staat in het op 29 juni 2010 verschenen Staatsblad 2010 nr. 9998. Ingevolge artikel 2, 1 lid, van de Wet geurhinder en veehouderij betrekt het bevoegd gezag bij beslissingen inzake de vergunning voor de oprichting of verandering van een veehouderij de geurhinder door de geurbelasting vanwege tot veehouderij behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze als aangegeven bij of krachtens de artikelen 3 tot en met 9. Ten aanzien van het voorkomen van (onaanvaardbare) stankhinder afkomstig van de onderhavige inrichting is de aanvraag getoetst aan de Wet geurhinder en veehouderijen en de Regeling geurhinder en veehouderijen. De Wgv bevat één landsdekkend toetsingskader, met twee typen waarden. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt de waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is de waarde een wettelijk vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. De omvang van de geuremissie wordt bepaald door factoren als het aantal gehouden dieren, de diercategorie en het toegepaste huisvestingssysteem. De geuremissie wordt berekend door het aantal te houden dieren te vermenigvuldigen met hun geuremissiefactor. Een geuremissiefactor is een getal dat de Naam inrichting: maatschap Walraven-van Bree Adres inrichting: Molenveld 4 in Sinderen 6 e geuremissie per dier weergeeft, rekening houdend met aspecten als diercategorie en toegepast de huisvestingssysteem. De verschillende geuremissiefactoren zijn in bijlage 1, als bedoeld in artikel 2, 6 lid van de Rgv vastgelegd. Vervolgens wordt de geurbelasting op een geurgevoelig object bepaald. Daartoe wordt de geuremissie vanuit de dierenverblijven tezamen met andere variabelen ingevoerd in een verspreidingsmodel "V-Stacks vergunning". De waarde die wordt uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting geeft het beschermingsniveau voor de omgeving van een veehouderij. De Wgv kent vier waarden, onderscheiden naar vier soorten gebieden: 3 - 3 odour units / m binnen een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom; 3 - 14 odour units / m binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom; 3 - 2 odour units / m buiten een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom; 3 - 8 odour units / m buiten een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom. Het onderscheid concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden verwijst naar de indeling uit bijlage I bij de Meststoffenwet. De geurbelasting is uitgedrukt als geurconcentratie: als aantallen Europese odour units in een volume3 eenheid (ouE/m ). Voor de geurbelasting is uitgegaan van het gebruikelijke 98-percentiel geurconcentratie. Dat betekent dat de, met het verspreidingsmodel, berekende geurconcentratie gedurende 98% van de 3 tijdseenheid niet wordt overschreden (ouE/m ; P98). Geurgevoelig object De Wgv definieert een geurgevoelig object als volgt: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. Ligging inrichting en geldende waarden De gemeente Oude IJsselstreek is gelegen in het reconstructiegebied Achterhoek en Liemers waarvoor een reconstructieplan is vastgesteld, goedgekeurd en bekendgemaakt. Zowel de onderhavige inrichting als de in de directe omgeving van de inrichting gelegen voor geurgevoelige objecten zijn gelegen buiten de bebouwde kom. Het dichtstbijgelegen voor geurgevoelige object betreft de woning Molenveld 2 in Sinderen. Beoordeling De aanvraag heeft uitsluitend betrekking op dieren (diercategorie opfokhennen en -hanen) waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld. Dieren waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld Het aangevraagde veebestand voor wat betreft 52.000 opfokhennen komt overeen met 9.360,0 ou E/sec. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wgv geldt dat de geurbelasting vanwege de onderhavige inrichting op geurgevoelig objecten buiten de bebouwde kom niet meer mag bedragen dan 14 odour units 3 per m lucht. Op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom mag de geuremissie niet meer 3 bedragen dan 3 odour units per m lucht. Artikel 10 van de Wgv bepaalt dat bij regeling van de minister van VROM regels worden gesteld over de wijze waarop de geurbelasting, bedoeld in artikel 3, wordt bepaald. Deze regeling betreft de Rgv. Artikel 2, eerste lid, van de Rgv bepaalt dat de geurbelasting vanwege een veehouderij wordt berekend met inachtneming van het verspreidingsmodel `V-stacks vergunning'. Dit model berekent de verspreiding van geur vanwege een veehouderij. Het rekenresultaat is de geurbelasting op in de nabijheid gelegen voor geurgevoelige objecten. Vervolgens wordt getoetst of de berekende geurbelasting voldoet aan de norm die van toepassing is. Deze norm moet vooraf in het model worden ingevoerd. Om de geurbelasting te berekenen, worden verder gegevens in het model ingevoerd over de onderhavige inrichting (bronnen) en Naam inrichting: maatschap Walraven-van Bree Adres inrichting: Molenveld 4 in Sinderen 7 de omliggende voor geurgevoelige objecten (receptoren). Het model houdt rekening met de meteorologische gegevens van een heel jaar en met de ruwheid van de omgeving. In onderstaande tabellen is een overzicht gegeven van de in te voeren gegevens en de berekende geurbelasting op de voor geurgevoelige objecten. Invoergegevens V-stacks vergunning Berekende ruwheid: 0,09 m Meteo station: Eindhoven Brongegevens: Volgnr BronID X-coord. . 1 Stal E 230 629 2 Stal F 230 606 Y-coord. 437 282 437 254 EP Hoogte 1,5 3,5 Gem.geb. hoogte 3,2 3,2 EP Diam. 2,81 0,96 EP Uittr. snelh. 0,40 0,40 EAanvraag 4 500 4 860 Geur gevoelige locaties: Volgnummer GGLID 3 Molenveld 2 4 Kasselderstraat 4 Xcoordinaat 230 643 230 313 Ycoordinaat 437 143 437 452 Geurnorm 14,0 14,0 Geurbelasting 8,7 1,9 Schematische kaart met relatieve ligging van de bronnen en geurgevoelige objecten Naam inrichting: maatschap Walraven-van Bree Adres inrichting: Molenveld 4 in Sinderen 8 Uit het rekenresultaat blijkt dat geurbelasting van de onderhavige inrichting op de geurgevoelige objecten onder de wettelijk toegestane norm blijft. Dit houdt in dat de aangevraagde revisievergunning op grond van artikel 3 van de Wgv moet worden verleend. Afstand agrarische bedrijfswoning van derden Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wgv bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij buiten de bebouwde kom ten minste 50 meter. De woning behorende bij een veehouderij op het perceel Kasselderstraat 6b ligt op circa 185 meter van het dichtstbijzijnde emissiepunt van de inrichting. Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wgv kan de vergunning worden verleend Afstand van buitenzijde tot buitenzijde Verder geldt op grond van artikel 5, eerste lid, van de Wgv een minimale afstand van 25 van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een voor geurgevoelig object. De werkelijke afstand van de stal tot het dichtstbij gelegen voor geurgevoelig object op het perceel Molenveld 2 bedraagt meer dan genoemde afstand (circa 100 meter). Dit betekent dat aan de vereiste afstand van buitenzijde tot buitenzijde wordt voldaan, waardoor de vergunning voor het aangevraagde veebestand op grond van artikel 5, tweede lid, van de Wgv kan worden verleend. Stof (luchtkwaliteit): Op 15 november 2007 is de "Wet luchtkwaliteit" in werking getreden. Met de inwerkingtreding van de wet is het Besluit luchtkwaliteit 2005 komen te vervallen. Algemeen De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de Wet milieubeheer goedgekeurd (Stb. 2007, 414). Met name hoofdstuk 5 titel 2 uit genoemde wet is veranderd. Omdat titel 2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe titel 2 bekend als de Wet luchtkwaliteit. Deze wet is op 15 november 2007 (Stb. 2007, 434) in werking getreden en vervangt het Besluit luchtkwaliteit 2005. De kern van de `Wet luchtkwaliteit' bestaat uit de (Europese) luchtkwaliteitseisen. Verder bevat zij basisverplichtingen op grond van de richtlijnen, namelijk: plannen, maatregelen, het beoordelen van luchtkwaliteit, verslaglegging en rapportage. De wet voorziet in het zogenaamde Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Daarbinnen werken het rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Het NSL kan pas in werking treden als de EU derogatie (verlenging van de termijn om luchtkwaliteitseisen te realiseren) heeft verleend. Luchtkwaliteitseisen voor veehouderijen De Wet luchtkwaliteit is niet van toepassing op alle stoffen die in de buitenlucht kunnen voorkomen. Titel 5.2 van de Wet milieubeheer verwijst naar bijlage 2 bij de Wet milieubeheer waarin bepaalde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht staan opgenomen. Deze milieukwaliteitseisen zijn grenswaarden 10 voor zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM ), lood, koolmonoxide en 10 benzeen. Voor agrarische inrichtingen speelt alleen de emissie van zwevende deeltjes (PM ) een rol van betekenis. Bijlage 2 van de Wet milieubeheer noemt de grenswaarden voor fijn stof: - 40 microgram per m³ als jaargemiddelde concentratie; - 50 microgram per m³ als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal vijfendertig maal per kalenderjaar mag worden overschreden. Op grond van artikel 2.14, eerste lid, onder c 2° v an de Wabo moeten de geldende grenswaarden op het gebied van de luchtkwaliteit (bijlage 2 van de Wet milieubeheer) in acht worden genomen. Artikel 5.16 van de Wet milieubeheer geeft aan hoe en onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden kunnen uitoefenen in relatie tot luchtkwaliteitseisen. Als aannemelijk is dat aan één of een combinatie van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het verlenen van de milieuvergunning: Naam inrichting: maatschap Walraven-van Bree Adres inrichting: Molenveld 4 in Sinderen 9 - Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde; Een project leidt al dan niet per saldo- niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; Een project draagt "niet in betekenende mate" bij aan de concentratie van een stof; Een project is genoemd of past binnen het NSL of binnen een regionaal programma van maatregelen. Bij vergunningverlening voor een veehouderij moet aan de luchtkwaliteitsnormen voor fijn stof worden voldaan. De luchtkwaliteit wordt beoordeeld op plaatsen waar significante blootstelling van mensen plaatsvindt. Dit kan bijvoorbeeld een woning zijn. Toetsing Om de fijn stof situatie bij agrarische bedrijven te kunnen toetsen, heeft het ministerie van VROM een op het Nieuw Nationaal Model gebaseerd rekenprogramma ontwikkeld: Implementatie Standaardrekenmethode Luchtkwaliteit 3a (ISL3a). Met dit rekenprogramma kan worden getoetst in hoeverre de inrichting voldoet aan de grenswaarden voor fijn stof. Bij de aanvraag is een fijn stof berekening gevoegd. Volgens de Regeling beoordeling luchtkwaliteit moeten we toetsen aan de grens van de inrichting bij de openbare weg en de dichtstbijzijnde woningen. Inmiddels is bekend dat de luchtkwaliteit alleen beoordeeld wordt op plaatsen waar significante blootstelling van mensen plaatsvindt. Een plaats met significante blootstelling kan bijvoorbeeld een woning, school of sportterrein zijn. Resultaten 3 In de resultaten wordt op geen van de receptorpunten de grenswaarde van 40 microgram/m als jaargemiddelde concentratie overschreden. Verder is zichtbaar dat op geen van de receptorpunten het maximale aantal van 35 dagen wordt overschreden. De inrichting voldoet aan de grenswaarden zoals de Wet luchtkwaliteit die stelt. Op basis van de Wet luchtkwaliteit kan de vergunning worden verleend. Geluidhinder De voornaamste activiteiten op het bedrijf die geluidoverlast zouden kunnen geven zijn onder meer het draaien van ventilatoren, het gebruik van tractoren en het laden en lossen van pluimvee en voer. Het bedrijf ligt in het landelijk gebied. Om de stilte van het landelijk gebied te beschermen is het noodzakelijk geluideisen te stellen aan het agrarisch bedrijf. Bij het stellen van geluidnormen is rekening gehouden met het gestelde in de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van oktober 1998 en de geluidsvoorschriften uit de geldende vergunning. Hierbij is gekeken naar bij de richtwaarden voor het landelijk gebied van 40, 35, 30 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Uitgaande van het beperkte aantal geluidbronnen en aan- en afvoerbewegingen is het aannemelijk dat de geluideisen van 40, 35 en 30 dB(A) op de dichtstbijzijnde geluidgevoelige bestemming, op 1,5 meter hoogte, haalbaar zijn. Een akoestisch onderzoek en het opleggen van extra geluidvoorschriften worden dan ook niet noodzakelijk geacht. Voor geluiden die kortstondig optreden worden maximale geluidsniveaus opgenomen (Lmax). Maximale geluidsniveaus ontstaan o.a. tijdens het rijden van voertuigen over het terrein van de inrichting, dichtslaan van autoportieren, het lossen van voer en het laden van kippen. Door het stellen van geluidsvoorschriften kan onacceptabele geluidhinder worden voorkomen. Op basis van vorenstaand worden de gestelde geluidsgrenswaarden niet als onaanvaardbaar aangemerkt. Naam inrichting: maatschap Walraven-van Bree Adres inrichting: Molenveld 4 in Sinderen 10 Bodembescherming In het aanvraagformulier staan de activiteiten vermeld die de bodem kunnen verontreinigen. Dit zijn activiteiten zoals o.a. op- en overslag van dieselolie, mestopslag, en de opslag van ontsmettingsmiddelen. In de vergunning wordt ten aanzien van bodembescherming uitgegaan van de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten (NRB). Uitgangspunt hierbij is het bereiken van een beschermingsniveau, waarbij kan worden gesproken van een verwaarloosbaar risico op significante bodemverontreiniging (bodemrisicocategorie A). Verontreiniging van de bodem wordt o.a. voorkomen door de dieselolieopslag (PGS 30) in een lekbak te plaatsen en de stalvloeren mestdicht uit te voeren. Door het opleggen van maatregelen in de voorschriften oordelen wij dat er een verwaarloosbaar bodemrisico ontstaat. De bodemaspecten van de door de inrichting mogelijk te veroorzaken gevolgen voor het milieu kunnen worden voorkomen door het opleggen van voorschriften. Energie en water Bij de stallen zijn dak, vloer en wand optimaal geïsoleerd. Daarnaast worden optimaal regelbare klimaatcomputers toegepast. Binnen de inrichting worden energiezuinige installaties toegepast. Het energieverbruik dient zo laag mogelijk gehouden te worden. In de voorschriften wordt opgenomen dat moet worden voldaan aan de stand der techniek rekening houdend met de checklist. Daarnaast worden bepalingen opgenomen om het energieverbruik te registreren en in het milieulogboek te vermelden. Leidingwater wordt gebruikt als drinkwater, reinigen van de stallen en huishoudelijk gebruik. In de voorschriften zullen voorschriften opgenomen worden hier zuinig mee om te gaan. Hierbij denken we aan schoonmaak met hogedrukreiniger, controle drinkwaterinstallaties en good house keeping. Afvalwater In het aanvraagformulier staan de afvalwaterstromen beschreven. Binnen de inrichting ontstaat onder andere afvalwater afkomstig van het reinigen van de stallen en wordt opgevangen in een giertank. Het niet verontreinigd hemelwater wordt geloosd op de bodem. Door het stellen van voorschriften is het aannemelijk dat een voldoende hoog beschermingsniveau aanwezig is om eventuele nadelige gevolgen ten gevolge van het lozen van afvalwater kunnen worden voorkomen. Afvalstoffen De wetgeving geeft regels omtrent de preventie van afvalstoffen. Gezien de bedrijfsafvalstoffen die vrijkomen en de hoeveelheden is het niet noodzakelijk een preventie onderzoek uit te laten voeren. Gevaarlijke afvalstoffen zijn altijd verplicht te gescheiden. Overige afvalcomponenten worden gescheiden gehouden indien dit redelijk is gezien de wekelijkse hoeveelheden. De aanvraag geeft reeds aan dat men afvalstoffen gaat scheiden en apart gaat afvoeren. Dit zal in de voorschriften opgenomen worden. Overige regelgeving De door de vergunninghouder te nemen maatregelen bij onvoorziene gebeurtenissen zijn vastgelegd in hoofdstuk 17 van de Wet milieubeheer. Van verdere richtwaarden, grenswaarden, regels en aanwijzingen zoals bedoeld in de artikel 2.14 van de Wabo is geen sprake. Naam inrichting: maatschap Walraven-van Bree Adres inrichting: Molenveld 4 in Sinderen 11 De overige aspecten van de door inrichting mogelijk te veroorzaken gevolgen voor het milieu kunnen worden bestreden door de bij dit besluit behorende en op het Handboek Milieuvergunningen gebaseerde voorschriften. De gevolgen voor het milieu vanwege de inrichting zijn niet zodanig dat de vergunning ter bescherming van het milieu moet worden geweigerd. Besluiten: de aanvraag en de daarbij behorende bescheiden (met uitzondering van de vervangen gegevens, zoals genoemd in de considerans) deel te laten uitmaken van de vergunning. de gevraagde vergunning te verlenen overeenkomstig de bij dit besluit behorende en als zodanig gewaarmerkte bescheiden en voorschriften. Gendringen, 30 januari 2012 Burgemeester en wethouders van de gemeente Oude IJsselstreek, namens dezen, A. Lohuis team Vergunningen Naam inrichting: maatschap Walraven-van Bree Adres inrichting: Molenveld 4 in Sinderen 12
http://gemeente.oude-ijsselstreek.n...eer/walraven_ontwerpbeschikking.pdfResultaat 8 - walraven mer beoordeling.pdf application/pdf
Beschikking Wet milieubeheer (artikel 7.2 lid 1 b Wm M.e.r. beoordeling) Algemeen: Op 15 september 2011 is een aanvraag (aanmeldingsnotitie) voor de beoordeling van de noodzaak tot het opstellen van een Milieu Effect Rapportage (MER) binnengekomen van Maatschap G.G.L.J. Walraven en C.C.G.M. van Bree Molenveld 4-a te Sinderen. De aanvraag betreft een verzoek ingevolge artikel 7.16 van de Wet milieubeheer, ter voorbereiding op een besluit voor een omgevingsvergunning. Dit in verband met de wijziging van kalkoenhouderij naar een opfokhennenbedrijf. Procedure: De MER-beoordelingsprocedure moet worden gevolgd voordat een aanvraag ten aanzien van een omgevingsvergunning in behandeling wordt genomen (artikel 7.28 Wm). In de Wet milieubeheer (artikel 7.17) is aangegeven dat het bevoegd gezag binnen 6 weken na ontvangst van de mededeling (het verzoek) een besluit neemt over de vraag of een Milieu Effect Rapportage moet worden opgesteld of niet. De procedure is/wordt overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 7.6. van de Wet milieubeheer uitgevoerd. Bij de beslissing wordt rekening gehouden met de in bijlage III bij de EEG richtlijn milieueffectbeoordeling aangegeven criteria. M.e.r. beoordeling: Art. 7.2 lid 1 b Wm: het bevoegd gezag moet zich ervan vergewissen of de activiteit daadwerkelijk geen aanzienlijke milieugevolgen kan hebben, waarbij het in het bijzonder moet nagaan of sprake is van de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG richtlijn milieueffectbeoordeling. Het doel van een milieueffectrapportage (m.e.r.) is om het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Het is niet nodig om voor alle plannen en activiteiten een milieueffectrapport (MER) te maken. Het gaat alleen om die activiteiten die belangrijke nadelige effecten (bijzondere omstandigheden) kunnen hebben op het milieu. Het doel van de aanmeldingsnotitie is ook om het bevoegd gezag meer informatie te geven over de voorgenomen activiteiten. Om te beoordelen of een MER moet worden opgesteld bekijkt het bevoegd gezag of er sprake is van belangrijke nadelige gevolgen die zij kan hebben voor het milieu. Hier wordt onder verstaan de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die de activiteit (opfokhennenbedrijf) kan hebben, gezien: 1. de kenmerken van de activiteit; 2. de plaats waar de activiteit plaatsvindt; 3. de kenmerken van de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die de activiteit kan hebben. Handreiking M.E.R. Beoordelingsplicht De Handreiking is een hulpmiddel om de m.e.r. beoordeling te verrichten. Aanleiding: In onderdeel D van de bijlage behorende bij het Besluit Milieu Effect Rapportage 1994, (gewijzigd in 1999-2006-2011) is onder nummer D14 aangegeven, dat voor de oprichting, wijziging of uitbreiding van een instalatie voor het fokken, mesten of houden van pluimvee in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op meer dan 40.000 stuks pluimvee, ten aanzien waarvan de procedure als bedoeld in de art. 7.16 tot tn met 7.20 van de Wet milieubeheer van toepassing zijn, een MERbeoordelingsplicht geldt. Aangezien de bestaande stallen worden aangepast naar een volierehuisvestingssysteem voor 52 000 opfokhennen is de m.e.r.-beoordelingsplicht van toepassing. De voorgenomen wijziging naar een pluimveehouderij aan Molenveld 4-a te Sinderen heeft tot doel: a. het realiseren van een duurzame pluimveehouderij; b. voldoen aan de (milieu)wetgeving; c. voldoen aan de nieuwe welzijnseisen; d. het generen van een duurzaam gezinsinkomen. Locatie: De locatie voor de wijziging naar een pluimveehouderij is gelegen aan Molenveld 4-a te Sinderen. In het bestemmingsplan bekend als agrarisch gebied. Volgens het Reconstructieplan Achterhoek en Liemers ligt dit perceel in het verwevingsgebied. De Vennebulten / het Aaltens Goor is gelegen in de Ecologische Hoogstructuur (EHS) zoals aangegeven in de Wet ammoniak en veehouderij (Wav). Dit zeer kwetsbare natuurgebied is gelegen op circa 4.4 km afstand van de pluimveehouderij. Voor de inrichting van Maatschap Walraven Van Bree betekend dit dat de inrichting buiten de 250 zone ligt. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied "Korenburgerveen" is op circa 12 km gelegen. Activiteiten binnen de inrichting: De Maatschap Walraven van Bree exploiteert een agrarisch bedrijf in de vorm van een pluimveehouderij. Binnen de inrichting zijn diverse machines en installaties aanwezig ten behoeve van het agrarisch bedrijf. De hoofdactiviteit bestaat uit het houden van opfokhennen. Voor het houden van opfokhennen moet de inrichting voldoen aan de bestaande wetgeving. Belangrijk hierbij dat wordt voldaan aan het begrip Best Bestaande Technieken zoals de wet dit voorschrijft. De Maatschap Walraven van Bree is van plan een omgevingsvergunning aan te vragen voor het houden van: 52.000 opfokhennen in een volièrehuisvestingssyteem. Beoordeling: Het bevoegd gezag moet beoordelen of er door de wijziging c.q. uitbreiding van de varkenshouderij van Maatschap Walraven van Bree, sprake is van een bijzondere omstandigheid die tot ontoelaatbare nadelige gevolgen voor het milieu kan leiden. Indien dit het geval is moet men een Milieu Effect Rapport op laten maken. In de aanmeldingsnotitie staan o.a. de algemene gegevens, de motivering van de activiteit, activiteiten en effecten op het milieu vermeld. Er zijn voldoende gegevens aanwezig om een beoordeling uit te voeren. Uit de aanmeldingsnotitie van Maatschap Walraven van Bree kunnen we de volgende conclusies trekken: · De inrichting is gelegen in een verwevingsgebied volgens het reconstructieplan. Een verwevingsgebied is volgens de wet een ruimtelijk begrensd gedeelte van een reconstructiegebied gericht op verweving van landbouw, wonen en natuur, waar hervestiging of uitbreiding van de intensieve veehouderij mogelijk is mits de ruimtelijke kwaliteit of de functies van het gebied zich daartegen niet verzetten. De plannen zijn niet in strijd met het reconstructieplan. · · De inrichting is gelegen op een terrein dat op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan Buitengebied is bestemd tot agrarisch gebied. De wijziging kan plaats vinden binnen het reeds aanwezige bouwperceel. Aanpassing is niet noodzakelijk. Op grote afstand (circa 4,4 km) is de Vennebulten aangewezen als een voor verzuring gevoelig gebied die in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) ligt. Buiten een zone van 250 meter vanaf de EHS is op grond van de Wav een wijziging/uitbreiding van de veehouderij in beginsel toegestaan en zijn er evenmin beperkingen. Er dient echter rekening gehouden met het BBT criterium zoals is opgenomen in de Wabo (art. 2.14), de Wet ammoniak en veehouderij en het Besluit Huisvesting. Nieuwe stallen (bestaande stallen met nieuw huisvestingssysteem) , na 1 januari 2007, moeten direct voldoen aan de maximale emissiewaarden. De nieuwe stallen voldoen aan de gestelde maximale emissiewaarden. Voor opfokhennen is voor het huisvestingssysteem niet batterijhuisvesting geen maximale emissiewaarde vastgesteld. De mest wordt gedurende max. 2 weken opgeslagen in een afgedekte container. Door deze wijze van mestopslag is het niet noodzakelijk de emissiefactor voor nageschakelde techniek (0,10) bij de emissiefactor van het stalsysteem op te tellen. Het BBT aspect is in de aanmeldingsnotitie voldoende besproken. De gevraagde situatie voldoet aan het BBT aspect. · De inrichting van de heer Maatschap Walraven van Bree valt onder de IPPC-richtlijn (Europese Richtlijn). De drempelwaarden om onder deze Richtlijn te vallen zijn > 40.000 plaatsen voor pluimvee. Gezien het aantal dieren die worden aangevraagd moet worden voldaan aan de IPPCRichtlijn. De IPPC-richtlijn is geïmplementeerd in de Wabo (art. 2.14, 2.22 lid 3), de Waterwet en het Besluit Huisvesting. Voor de agrarische bedrijven gelden naast de Wabo onder meer de Wet ammoniak en veehouderij en de Wet geurhinder en veehouderij als toetsingskader voor de beoordeling van de uitstoot van ammoniak en stank vanuit dierenverblijven. e Op grond van artikel 5.4, 2 lid van de Bor dient de aanvraag te worden getoetst aan bijlage 1 van de Mor (aanwijzing BBT-documenten). De Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij, de BREF intensieve pluimvee- en varkenshouderij en de oplegnotie BREF Intensieve pluimvee- en varkenshouderij zijn in deze bijlage opgenomen. Hiermee is de juridische status van deze documenten vastgelegd. Door de geldende wet en regelgeving te toetsen zal er tevens voldoende getoetst worden aan de IPPC-richtlijn. In de aanmeldingsnotitie staan de onderwerpen genoemd. In het vervolg van deze conclusie komt de onderwerpen aan de orde. In de geldende omgevingsvergunning, afgegeven op 4 februari 1998 en melding 8.19 d.d. 14 maart 2000 en 27 februari 2004, is 2733 kg NH3 vergund. De aangevraagde ammoniakemissie bedraagt 2600 kg en is minder danhet vergund recht. De wijziging van de inrichting kan op grond van het ammoniakaspect niet gezien worden als een bijzondere omstandigheid die tot ontoelaatbare nadelige gevolgen voor het milieu kan leiden. De wijziging van de inrichting heeft invloed op het geuraspect in het betreffende gebied. De geuremissie afkomstig van de pluimveehouderij wordt getoetst aan het gestelde in de Wet Geurhinder en veehouderij (Wgv) en de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv). In de aanmeldingsnotitie zijn voldoende gegevens aanwezig om te bepalen of de inrichting na wijziging kan voldoen aan de Geurwet. Uit de geurberekening blijkt dat kan worden voldaan aan de Geurwet. In de nabije omgeving van de inrichting komen geen Nederlandse gebieden voor die zijn aangewezen in het kader van de Vogel- Habitatrichtlijn en Natuurbeschermingswet (Natura 2000 gebieden) en dus in dit kader bescherming behoeven. De dichtstbijzijnde gebieden die op een grotere afstand liggen dan 12 km zijn: - Gelderse Poort / Vragender Veen / Bekendelle / Zumpe (natuurmonument). De Provincie Gelderland kent een stappenplan NH3 toetsing. Hierin wordt aangegeven dat er geen v.v.g.b. nodig is als de emissie < 5000 kg/jaar en het bedrijf > 10 km van het N2000 gebied ligt. Voor een beschermd Natuurmonument geldt een afstandscriterium van 3 km. De aanmeldingsnotitie voldoet ook aan dit stappenplan. De omgevingsvergunning zal worden getoetst aan de Stikstofverordening van de Provincie. De verwachting is dat er geen negatieve gevolgen ontstaan door de wijziging van de inrichting. · Op 7,5 km van de inrichting komt een Duitse gebied voor die is aangemeld als Natura 2000 gebied. 1. Gebiedsnaam: Klevsche Landwehr, Anholt.Issel, Feldschlaggr.u. Regnieter Bach. DE-4104304. De Klevsche Landwehr is aangewezen omdat zich hierin een vis de zgn. modderkruiper (Schlammpeitzger) bevindt. Gezien de afstand en de afname van ammoniak zal er geen negatief effect ontstaan op dit Natura 2000 gebied. Directe ammoniakschade wordt getoetst aan de hand van het Rapport Stallucht en Planten 1981. In de praktijk vindt deze schade plaats voornamelijk bij coniferen en fruitbomen gelegen nabij met name varkens- of kippenstallen. In de omgeving van de inrichting van Maatschap Walraven van Bree komt dit niet binnen de genoemde afstanden uit het rapport voor en is de wijziging dus niet van invloed. · · · · · Het geluidsaspect is beschreven. Het geluid is afkomstig van transportbewegingen, activiteiten op het buitenterrein, activiteiten binnen de gebouwen, mechanische ventilatie en door installaties aanwezig op het bedrijf. De verwachting is dat gezien de ligging van de inrichting, de afstand naar woningen en door het stellen van geluidsvoorschriften kan worden voldaan aan de gestelde geluidsnormen. Bij de omgevingsvergunningaanvraag worden voldoende gegevens gevoegd om het geluidsaspect te beoordelen. Op het aspect stof zijn de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer van toepassing is. De gestelde grenswaarden moeten in acht genomen worden. Door de wijziging zal er een afname van fijn stof emissie plaatsvinden. Het aspect stof is onderzocht en staat in de aanmeldingsnotitie voldoende beschreven. Een berekening van het programma ISL3a is toegevoegd. Uit deze toets blijkt dat kan worden voldaan aan de normen voor luchtkwaliteit. De milieuaspecten: bodem, (afval)water, energieverbruik, afvalstoffen, opslag mest en bodembescherming worden beschreven. Door het toepassen van bodembeschermende voorzieningen, afvoeren van mest, het doorvoeren van energiebesparende maatregelen, afvoeren van afvalstoffen naar erkende inzamelaars, het lozen op de riolering en het opleggen van voorschriften in de omgevingsvergunning zullen er geen grote nadelige gevolgen plaatsvinden voor het milieu. De onderwerpen worden voldoende beschreven. · · In de aanmeldingsnotitie staan een aantal gegevens waaruit we de volgend conclusies kunnen trekken: - De inrichting ligt in een gebied waar mogelijkheden zijn voor de intensieve veehouderij. - Volgens het bestemmingsplan ligt de inrichting in een agrarisch gebied. - Het bouwperceel is voldoende groot voor de geplande wijziging. - Het aangevraagde dierbestand blijft onder het vergund recht (ammoniak). - De inrichting is gelegen buiten de 250 zone gemeten vanaf een zeer kwetsbaar gebied (verzuringgevoelig). - Op grote afstand liggen Natura 2000 gebiedenen. - De depositie op de zeer kwetsbare gebieden en Natura 2000 gebieden nemen niet toe. - Bij de aanmeldingsnotitie zit een geurberekening en stofonderzoek. Hieruit blijkt dat wordt voldaan aan de gestelde normen. - Daarnaast worden nog diverse milieuaspecten beschreven. Gezien de omvang, de plaats, de kenmerken en de effecten van het project kunnen we concluderen dat er geen sprake is van dermate grote nadelige gevolgen voor het milieu waarvoor een milieueffectrapport moet worden opgemaakt. Besluiten: Gelet op de desbetreffende bepalingen van de Wet milieubeheer, de Algemene Wet bestuursrecht en het Besluit Milieu Effect Rapportage 1994 besluiten wij: 1. dat, ten aanzien van de gewenste wijziging c.q. uitbreiding van de inrichting aan Molenveld 4-a te Sinderen, het niet noodzakelijk is een Milieu Effect Rapportage (MER) op te stellen. 2. de MER-aanmeldingsnotitie d.d. 15 september 2011 deel uit te laten maken van het onderhavig besluit. 13 oktober 2011 Burgemeester en wethouders van de gemeente Oude IJsselstreek, namens dezen, F. Hakvoort Team Vergunningen
http://gemeente.oude-ijsselstreek.n...beheer/walraven_mer_beoordeling.pdfResultaat 9 - walraven info vstacks.pdf application/pdf
Gegenereerd op: 29-08-2011 met V-STACKS Vergunning versie 2010 (c) KEMA Nederland B.V. Naam van de berekening: Gemaakt op: Rekentijd: Naam van het bedrijf: Berekende ruwheid: Meteo station: Maatschap Walraven Van Bree 29-08-2011 15:45:09 0:00:11 Maatschap Walraven Van Bree te Sinderen 0,09 m Eindhoven Brongegevens: Volgn BronI X-coord. Y-coord. EP r. D Hoogte 1 Stal E 230 629 437 282 1,5 2 Stal F 230 606 437 254 3,5 Geur gevoelige locaties: Volgnummer GGLID Xcoordinaat 3 Molenveld 2 230 643 Gem.geb. hoogte 3,2 3,2 EP Diam. 2,81 0,96 EP Uittr. snelh. 0,40 0,40 EAanvraag 4 500 4 860 Ycoordinaat 437 143 Geurnorm 14,0 Geurbelasting 8,7 P
http://gemeente.oude-ijsselstreek.n...ieubeheer/walraven_info_vstacks.pdfResultaat 10 - walraven info opfokhuisvesting.pdf application/pdf
Nummer systeem Naam systeem BWL 2005.02.V1 Volière-opfokhuisvesting, minimaal 50 % van de leefruimte is rooster, met daaronder een mestband. Mestbanden minimaal éénmaal per week afdraaien. Roosters minimiaal in twee etages Opfokhennen en -hanen van legrassen; jonger dan 18 weken Juni 2010 Beschrijving E 1.8.1 van 15 juli 2005 Diercategorie Systeembeschrijving van Vervangt Werkingsprincipe Ammoniakemissiebeperking is gebaseerd op het opvangen van mest op mestbanden onder de rooster en het frequent afvoeren van de mest uit de stal. DE TECHNISCHE UITVOERING VAN HET SYSTEEM; BOUWKUNDIG Onderdeel Uitvoeringseis Geen bijzonderheden. DE TECHNISCHE UITVOERING VAN HET SYSTEEM; TECHNISCHE VOORZIENINGEN Onderdeel 1 2a 2b 3 4 Voer en drinkwater Mestopvangvoorziening Huisvestingsvorm Vloeruitvoering Uitvoeringseis alternatieve huisvesting (dieren kunnen zich vrij in de stal bewegen) minimaal 50 % van het leefoppervlak is uitgevoerd als etages met roostervloer minimaal 1/3 deel van het leefoppervlak is uitgevoerd als strooiselvloer voorzieningen aangebracht boven de roostervloer mestbanden onder de roosters bij toepassing van oplierbare en/of opklapbare roosters die boven een rooster met daaronder een mestband zijn geplaatst, hoeven de oplierbare en/of opklapbare roosters niet van een mestband te zijn voorzien. Deze roosters zijn 1 ook deel van het leefoppervlak . apparatuur voor het registreren van de afdraaifrequentie van de mestbanden dient aanwezig te zijn kortdurend of eventueel nadroging in een nageschakelde techniek of langdurige 2 mestopslag 1 1 5 6 Registratieapparatuur Mestopslag 1 2 Voor het begrip leefoppervlakte bij opfokleghennen is geen definitie opgenomen in wet- en regelgeving. In de praktijk geldt dat de volgende onderdelen van de stalinrichting hierbij worden meegerekend: alle aanwezige 2 roosters met daaronder een mestband, aanvliegplateaus tot 40 cm breed en zitstokken (per cm zitstok 30 cm oppervlak). Als meerder zitstokken naast elkaar zijn aangebracht (alsof in een plateau), gelden als maat de buitenste zitstokken en de lengte van het systeem (net als bij roosters). Dit systeem stelt geen eisen aan de wijze van mestopslag of verdere bewerking (extra droging) van de mest. De vorm van opslag of bewerking is echter wel bepalend voor de hoogte van de ammoniakemissie van het bedrijf. De voor dit stalsysteem vastgestelde emissiefactor van 0,050 kg ammoniak per dierplaats per jaar is van toepassing voor de situatie in combinatie met een kortdurende opslag op het bedrijf (afvoer van de mest van de banden direct van het bedrijf of opslag in een afgedekte container voor maximaal 14 dagen). Bij langdurige mestopslag of nadroging in een nageschakelde techniek komt bovenop deze emissiefactor nog een toeslag (Rav-categorie E6). HET GEBRUIK VAN HET SYSTEEM Onderdeel a b Leefoppervlak 1 Gebruikseis minimaal 625 cm² per dier voor het aantal dieren bij opzet (16 dieren per m²) 3 Afdraaifrequentie mestbanden minimaal éénmaal per week afdraaien van de mest naar een afgedekte container voor kortdurende opslag of andere vorm van opslag; bij nadroging van de mest in een nageschakelde techniek moeten de mestbanden minimaal tweemaal per week worden afgedraaid ten behoeve van een controle op de werking van het afdraaien van de mestbanden moet de afdraaifrequentie van de mestbanden automatisch worden geregistreerd; van de geregistreerde waarden moet tijdens de controle een uitdraai van de huidige en vorige productieperiode opvraagbaar zijn c Registratie d Uitzondering eerste de eisen met betrekking tot de afvoer van de mest en de beluchting zijn niet van twee weken toepassing opfokperiode Emissiefactor Verwijzing meetrapport 0,050 kg NH3 per dierplaats per jaar Betreft een afgeleide emissiefactor van het vergelijkbare systeem voor legkippen. 3 Bij de opzet worden de dieren veelal in een beperkte ruimte van de stal gehouden. Het leefoppervlak is vooral gericht op het moment vlak voor het afleveren. Een niveau 1 2 2 A: enkele beun 1 2 2 1 2 B: dubbele beun Meerdere niveau's 1 2 1 2 1 2 1 1 2 C: Etages met doorlopende strooiselvloer D: Etages op roostervloer 1 1 2 2 2 1 2 E: combinatie beun en stellingen F: combinatie beun en beweegbare plateaus 1 2 1 1 2 2 G: dubbele beun met stellingen Legenda Roosters met mestbanden 1 en eventueel beluchting 2 Strooiselruimte NAAM: Niet batterijhuisvesting, minimaal 50 % van de leefruimte is rooster met daaronder een mestband, mestbanden minimaal éénmaal per week afdraaien NUMMER: BWL 2005.02.V1 Systeembeschrijving Juni 2010
http://gemeente.oude-ijsselstreek.n.../walraven_info_opfokhuisvesting.pdf